'Alsof-spel' is niet belangrijk voor kindontwikkeling

De aanname dat kinderen die vaak ‘doen alsof’ spelen daar socialer, slimmer of creatiever van worden, klopt niet. Ze worden er wel blij van.

Alsjeblieft, laat de kinderen spelen! Maar niet omdat ze er zo creatief, slim, sociaal, taalvaardig, zelfbeheerst, verhalend of probleemoplossend van worden. Want uit een grote analyse van de bestaande wetenschappelijke literatuur blijkt dat voor deze vaak geprezen effecten van spel géén bewijzen bestaan. In het artikel worden vooral de effecten van ‘doen-alsof-spel’ nageplozen. Het wordt binnenkort gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift Psychological Bulletin. Het is al gepubliceerd op de website van het tijdschrift.

Een belangrijke categorie van spel die niet bekeken is, is het fysieke spel, dat ook veel bij andere zoogdieren voorkomt: stoeien, rennen en springen. Daarvan is al wel bewezen dat het – bij mensen – goed is voor aandacht in de klas, maar ook voor sociale coördinatie, emotionele zelfbeheersing en – bij ratten – ‘normaal seksueel gedrag’.

Iedereen die kinderen ziet ‘doen alsof’ in een spel (boefje spelen, een banaan als ‘telefoon’ gebruiken), krijgt het gevoel dat dat een belangrijke activiteit is, schrijven de auteurs van het stuk, onder leiding van Angeline Lillard (Early Development Lab, University of Virginia). Maar dat lijkt een cultureel bepaald gevoel. Uit een recent onderzoek blijkt dat in landen als Marokko, China, India en Indonesië de meeste kinderen (volgens hun moeders) helemaal niet vaak doen-alsof spelen. Is dat erg? En moeten ook Westerse kinderen die weinig doen-alsof spelletjes doen daarin gestimuleerd worden? Lillards conclusie is: nee.

Want er is geen enkel bewijs dat doen-alsof-spel enige cruciale invloed heeft op de ontwikkeling van kinderen. Voor redeneren, taalvaardigheid, talent voor verhalen en zelfbeheersing is op basis van de bestaande literatuur zo’n oorzakelijk verband niet uitgesloten, maar ook niet erg waarschijnlijk. De verbanden zijn niet sterk. En even goed ligt de oorzaak andersom (‘taalvaardigheid stimuleert spel’) of er is een gemeenschappelijke oorzaak in het spel (‘ouders die taal stimuleren, stimuleren óók doen-alsof-spel’).

De claim dat doen-alsof-spel cruciaal is voor de ontwikkeling van kinderen is onderwijskringen wel erg populair. Dat komt mede door de opkomst van het gedachtegoed van de Russsische psycholoog Lev Vygotsky in de laatste decennia. Doen-alsof is, zegt Vygotsky, de motor van de ontwikkeling, want daarin wordt vaak al een volgende fase van de cognitieve en sociale ontwikkeling bereikt.

Lillard en haar collega’s analyseerden zoveel mogelijk relevante onderzoeken. Bijvoorbeeld of kleuters creatiever waren in het verzinnen van functies van voorwerpen als ze daar eerst mee speelden. En of dramalessen kinderen hogere IQ-uitslagen bezorgen. of kinderen die vaak rollenspellen spelen, sociaal handiger werden, of kinderen in een spel (‘jij bent de soldaat op wacht!’) langer stil konden staan dan in andere situaties, enzovoorts. Maar Lillard breekt de staf over de kwaliteit van de meeste van deze ruim 100 onderzoeken die zij en haar collega’s bekeken. Bij veel experimenten leek het doen-alsof-spel wel van invloed op allerlei mentale en andere prestaties van de kinderen. Maar bij nadere beschouwing kon dat even goed liggen aan het veel intensievere contact van de onderzoekers met de kinderen in de spel-groep, ten opzichte van de controlegroepen. Zo sterk lijkt die invloed van het contact met volwassenen dat Lillard het in haar conclusies zelfs beschouwt als een van de echte voordelen van doen-alsof-spel: het leidt vaak tot meer positieve contacten met volwassenen en dàt is dan weer goed voor de ontwikkeling. Andere waarschijnlijk reële voordelen van doen-alsof-spel die volgens Lillard nader moeten worden onderzocht, zijn het positieve effect op het welzijn van de kinderen en op hun gevoel hun situatie te beheersen.