‘Vrienden van Syrië’ verdeeld over jihadisten

Het feest van de internationale erkenning van de Syrische oppositie werd gisteren in Marokko verstoord door ruzie over de rol van jihadisten.

Met als doel de nieuwe, gematigde Syrische oppositiecoalitie te versterken hebben zo’n 100 landen haar gisteren erkend als wettige vertegenwoordiger van het Syrische volk. De internationale gemeenschap minus president Assads bondgenoten Rusland, China en Iran, heeft daarmee ook het adres vastgesteld waar hulp aan rebellen en de bevolking kan worden afgeleverd.

Maar, zo onderstreepte op de conferentie van de ‘Vrienden van Syrië’ in de Marokkaanse stad Marrakech de Franse minister van Buitenlandse Zaken Laurent Fabius, voorlopig nog geen militaire hulp. Oppositiewoordvoerder Walid al-Bunni zei dat erkenning alleen niet genoeg is: de nieuwe Syrische Nationale Coalitie heeft sinds haar vorming in Qatar midden vorige maand gehamerd op de noodzaak van wapenhulp.

Dat blijft een probleem en dat probleem heet Al-Nusra (de overwinning), de met het terreurnetwerk Al-Qaeda verbonden strijdgroep die naast de niet-jihadistische rebellen tegen het Syrische regime vecht, en daarbij met haar gedisciplineerde strijders en betere wapens die ze van aanhangers in Arabische Golfstaten krijgt , ook heel succesvol is. De Europese Unie heeft onlangs besloten haar wapenembargo tegen Syrië voortaan elke drie maanden te heroverwegen in plaats van elk jaar, om snel te kunnen handelen als over wapenleveranties overeenstemming is. „Maar op dit moment komen we niet in actie”, zei Fabius. Het Westen wil niet dat wapens bij jihadisten terechtkomen die niet naar democratie maar naar de heerschappij van hun idee van de islam streven. Al-Nusra heeft ook een groot aantal zelfmoordaanslagen gepleegd.

Zo verenigd als de conferentie was wat betreft erkenning van de oppositie – een symbolische actie die verder geen internationaal-rechtelijke consequenties heeft – zo verdeeld was zij over Al-Nusra. De Amerikaanse onderminister van Buitenlandse Zaken William Burns (minister Hillary Clinton was ziek), verdedigde het een dag eerder bekendgemaakte besluit van Washington de groep op de lijst van terroristische organisaties te plaatsen. De oppositiecoalitie, zo zei hij, staat voor een democratische, pluralistische toekomst voor Syrië. Maar Al-Nusra betekent volgens hem „een heel andere toekomst”; Washington vreest dat de groep „zal proberen haar wil op te leggen en het sociale weefsel te bedreigen”.

In zijn toespraak veroordeelde de leider van de oppositiecoalitie, de geestelijke Moaz al-Khatib, „alle vormen van extremisme”. Maar hij verzette zich tegen de Amerikaanse stap. „Ik zeg in alle transparantie dat het aanmerken van een van de facties die tegen het regime vechten als een terroristische organisatie moet worden heroverwogen. We houden heel veel van ons land, ook al zijn we het niet met alle facties eens.”

Fabius zei dat ook Arabische landen zich afvragen waarom een effectieve strijdgroep buitenspel wordt gezet. Frankrijk, dat probeert het voortouw te nemen in de Syrische crisis en bijvoorbeeld vorige maand al meteen de oppositiecoalitie erkende, zal volgens hem de kwestie verder onderzoeken. „Maar we willen niet het pad van Irak opgaan”, waar na de val van Saddam Hussein een orgie van terreur losbarstte.