Tien jaar Mulier Instituut en het nut van sportonderzoek

Tien jaar Mulier Instiuut heeft het belang van sportonderzoek bewezen. Maar het blijft een ge-vecht cijfers en analyses om te zetten in beleid.

Over het nut van sportonderzoek geen misverstand. Dat heeft het Mulier Instituut met zijn tienjarig bestaan alleen al bewezen. Maar de continue stroom van cijfers en analyses moet nog beter gebruikt worden, klaagt directeur Koen Breedveld in het jubileumdebat dat gisteren in het Utrechtse voetbalstadion Galgenwaard werd gehouden.

Mooi en handig al die informatie, maar niet altijd toepasbaar, countert Mariëtte van de Voet, beleidsadviseur Sport op het ministerie van VWS. „Je zit te wachten op handvatten die je morgen kunt gebruiken, maar dat is moeilijk.” Diezelfde ervaring heeft Rinda den Besten, sportwethouder in Utrecht. Bijna een hartekreet: „Graag één goede theorie.”

Twee partijen, twee belangen. Toch ook twee vrienden die elkaar gisteren in het debat stevig de maat namen. Maar cijfers spreken voor zich, meent Jan Janssens, lector aan de Hogeschool van Amsterdam en een van de oprichters van het Mulier Instituut. Dat slechts 30 procent van onderzoek in beleid wordt omgezet vindt hij veel te laag.

Janssens maakt vaak mee dat rapporten makkelijk terzijde worden geschoven. Hij heeft in opdracht van het ministerie van VWS ooit homoparticipatie in de sport onderzocht. Het sportklimaat was zo homoonvriendelijk, dat maatregelen volgens Janssens niet konden uitblijven. „Maar op het ministerie was de conclusie dat homoseksuelen evenveel bewegen dan hetero’s. Dus geen reden voor beleidswijzing.”

Maarten van Bottenburg, hoogleraar Sportontwikkeling aan de Universiteit Utrecht en oud-directeur van het Mulier Instituut, ziet daarentegen geen gescheiden werelden. Integendeel, volgens hem zijn onderzoekers en beleidsmaker soms te nauw met elkaar verbonden. Hij constateert wel een gewijzigde houding bij overheden. „Die is tegenwoordig meer: wij betalen en willen er onmiddellijk iets voor terug.”

Terugkijkend heeft het toegenomen gezag van het Mulier Instituut Van Bottenburgs verwachtingen overtroffen. Hij had er geen rekening mee gehouden dat een bureautje met een tiental medewerkers binnen tien jaar zou uitgroeien tot een gereputeerde instelling voor sportonderzoek.

Voor de toekomst heeft directeur Breedveld geen vrees, ook al stagneert de rechtstreekse geldstroom vanuit VWS en komt het Mulier Instituut onder de vleugels van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). Breedveld: „VWS was goed voor 40 procent van onze begroting – in 2012 twee miljoen euro. De andere 60 procent haalden we met opdrachten uit de markt. Dat is de redding voor het Mulier Instituut.”

    • Henk Stouwdam