Syrische jihadisten zet je niet zomaar buitenspel

De beste en meest effectieve strijders in de Syrische opstand zijn jihadisten met banden met Al-Qaeda. Zij spelen een sleutelrol in de burgeroorlog. En als het regime van president Assad ten val komt, kunnen ze ook een rol gaan spelen in de fase die daarna aanbreekt.

Dat is een huiveringwekkend vooruitzicht. Voor Syrië, en ook voor de buitenwereld.

De extremistische beweging Al-Nusra en haar bondgenoten hebben de radicale islam in hun vaandel en zijn samen zo’n zes- tot tienduizend man sterk. Binnen het samenraapsel van groepen waaruit de gewapende oppositie bestaat, vormen ze een minderheid. Maar bij het veroveren van posities op het Syrische leger delen deze geharde strijders vaak de beslissende slag uit.

Het Westen zit al van het begin af aan met de Syrische burgeroorlog in zijn maag. Aan de ene kant zien de Verenigde Staten en Europa het bloedige regime van Assad graag verdwijnen. Aan de andere kant is het gevaar groot dat er chaos voor in de plaats komt. En wie koestert er na de oorlogen in Irak en Afghanistan nog de illusie dat het Westen in zo’n situatie orde en rust kan brengen?

De groeiende rol van de jihadisten in de oorlog maakt dat probleem extra nijpend. De Verenigde Staten hebben Al-Nusra nu op de lijst van terreurorganisaties geplaatst. Zo hoopt Washington de extremisten niet alleen te verzwakken, maar ze ook te isoleren van hun wat meer gematigde medestrijders en de politieke oppositie. Als er dan een nieuw bewind gevormd moet worden, is de gedachte, staan de jihadisten buitenspel.

Dat is de theorie. De praktijk is dat de jihadisten aan dezelfde kant strijden als de rest van de rebellen, samen tegen de gemeenschappelijke vijand Assad. Het Vrije Syrische Leger en zijn medestanders hebben de extremisten nodig om de overwinning te kunnen binnenhalen. En volgens de logica van het slagveld moet daar, als de strijd eenmaal is gestreden, een prijs voor worden betaald. Het is een illusie te denken dat plaatsing op een internationale terreurlijst dat kan voorkomen.

Toen jihadisten in de jaren tachtig in Afghanistan streden tegen het leger van de Sovjet-Unie, kregen zij steun van de Verenigde Staten. De vijand van mijn vijand is mijn vriend, was het argument. Maar toen het Sovjetleger eenmaal was verdreven, leerde het Westen de harde les dat de vijand van mijn vijand een heel gevaarlijke vriend kan blijken.

Die les is aan het Syrische verzet niet besteed, en evenmin aan de Arabische Golfstaten die de opstand geld en wapens bezorgen. Wie in de VS of Europa oproept tot steun aan de rebellen, moet zich daar goed rekenschap van geven.