‘ Liever dat ene verhaal echt goed uitleggen dan hijgerig meelopen’

Rob Wijnberg, tot voor kort hoofdredacteur van nrc.next, begint een nieuwe krant. Een auteurskrant die reflecteert op het nieuws, in plaats van het alleen te brengen. „Geen simpele verklaringen. Ik wil het écht begrijpen.”

Rob Wijnberg: „Nieuws is als kraanwater. Het is overal en praktisch gratis, al kun je het ook nog in de betaalde variant van een flesje Spa krijgen.” Foto Roger Cremers

Hij heeft het niet op marketing, want dat is vragen naar de bekende weg: wat wil je zelf? En dan zul je het krijgen. Dat schiet niet op. Rob Wijnberg heeft haast. Daarom mag hij graag Henry Ford citeren, de man die gewone Amerikanen aan de auto hielp. „Als ik de mensen had gevraagd wat ze wilden, hadden ze gezegd: snellere paarden.”

Wijnberg, de vorige hoofdredacteur van nrc.next, gelooft niet in een krant die een beetje beter is. Zijn krant moet anders zijn. Geen krant die met alle andere media „meepraat over wat er in het nieuws is, maar die door zijn keuzes zelf bepaalt wat nieuws is en wat niet.”

De Volkskrant, NRC Handelsblad, Trouw – Wijnberg (30) zegt dat hij hun voorpagina’s negen van de tien keer kan raden als je het NOS-journaal hebt gezien. Hij wil een krant die veel dunner is en die zich onderscheidt door alleen die onderwerpen te doen waarin ze echt goed is en de rest overlaat aan Teletekst en nu.nl. Een krant die liever een kleinere maar trouwe groep lezers bindt in plaats van „oplage koopt door iPads of fietsen cadeau te doen aan nieuwe abonnees. Want die lezers komen voor de premium in plaats van de krant. En ze vertrekken weer snel.”

Maar vóór alles wil hij een krant die niet eerst een onderwerp bedenkt en er dan een journalist bij zoekt, maar het omgekeerde. „Ik wil een auteurskrant maken”, zegt hij. „Een krant waarin het allereerst gaat om wie het heeft geschreven. Iemand met een bepaalde expertise of een genre dat hij of zij heel goed beheerst en die tegen jou praat. Alleen dan krijg je als lezer een echte vertrouwensrelatie.”

Vanaf januari gaat hij dat in de praktijk brengen. Dan begint hij op proef met zijn ‘auteurskrant’. Vooralsnog alleen online, maar wel met slimme software die „meegroeit” met de lezer, die permanent context geeft bij elk onderwerp – „een enorm manco van papieren kranten” – en die de lezer in contact brengt met andere stukken en schrijvers die zijn interesse kunnen wekken.

Werktitel: De vijfde macht. De vierde macht – dat is de bijnaam van traditionele media. Wijnberg wil daar een dimensie aan toevoegen: niet alleen het nieuws zelf, maar ook reflecteren óp het nieuws. Met verhalen die traditionele, te simpele vertelschema’s van de journalistiek – daders en slachtoffers, winnaars en verliezers, oorzaak en gevolg – doorbreken.

„Neem de NS en de winter. Elk jaar doet iedereen het vaste riedeltje. Er valt een vlokje sneeuw, de dienstregeling loopt in de soep en daarna roepen we: hoe kán dat toch?. De tv interviewt mensen op het perron en de kranten schrijven dat het een chaos was op Utrecht Centraal. Daarna krijg je altijd twee soorten antwoorden: dat de minister nu echt moet ingrijpen, en dat ons spoornet nu eenmaal het drukste van de wereld is.”

Maar Wijnberg wil weten wat er écht bij de NS gebeurt. „Wat u niet ziet als u vast komt te zitten in de trein. ‘Hoe kán dat toch?’, maar dan niet als retorische vraag. In hun drang naar actualiteit zoeken media naar schuldigen en simpele verklaringen. Ik wil het echt begrijpen.”

De krant die dat ene verhaal echt goed uitlegt vervult zijn taak beter dan hijgerig achter van alles en nog wat aan te lopen, en alles half te doen. En als de wereld inderdaad af en toe te ingewikkeld lijkt, zoals in het geval van de NS, of de gezondheidszorg, dan zouden journalisten er geen geheim van moeten maken dat ze niet weten hoe het echt zit, maar op een andere manier proberen duidelijkheid te brengen.

„Journalisten redeneren vaak alles terug naar een causaal verband”, zegt Wijnberg. „Maar nieuws is blind voor het toeval.” Daarom is hij zo’n bewonderaar van ‘The Banking Blog’ van Joris Luyendijk in The Guardian, dat ook in deze krant verschijnt. „Hij wil weten hoe de financiële wereld werkt, maar op de traditionele manier is het heel moeilijk toegang te krijgen. Daarom zegt hij: ik ga nu twee jaar lang bankiers anoniem interviewen en vragen wat ze doen. En in al die antwoorden probeer ik een patroon te ontdekken. Ook dan filter je het toeval uit, maar zonder je verhaal in een gemakkelijk sjabloon te vertellen of op te hangen aan incidenten.”

Reflectie op journalistiek is Luyendijks handelsmerk, zie diens bestsellers Het zijn net mensen (over verslaggeving uit het Midden-Oosten) en U heeft het niet van mij (over Haagse journalistiek). „Hij predikt dit al lang en het zou raar zijn als Joris niet voor ons ging schrijven”, zegt Wijnberg met een glimlach.

Dit gesprek had maandag plaats, de eerste dag dat NRC Handelsblad en nrc.next niet langer in Rotterdam gemaakt werden, maar in hun nieuwe onderkomen aan het Amsterdamse Rokin. Wijnberg was er graag bij geweest, zegt hij met enige bitterheid, maar hij vertrok vorige maand na een aanvaring over de koers van ‘zijn’ krant, die te ver zou zijn afgedreven van ‘moederkrant’ NRC Handelsblad. Onder andere omdat hij en zijn redactie minder hechtten aan het brengen van ‘traditioneel nieuws’ dan aan de eigenzinnig gekozen onderwerpen die next in zijn ogen nog nadrukkelijker zouden moeten typeren dan nu.

„Nieuws is als kraanwater. Het is overal en praktisch gratis, al kun je het ook nog wel in de betaalde variant van een flesje Spa krijgen”, zegt hij. „Dat was de discussie die ik met de hoofdredactie van NRC Handelsblad voerde. Kranten hebben eens in de zoveel tijd een bijzonder verhaal van het kaliber misbruik in de katholieke kerk. Maar gewoonlijk betekent ‘actueel zijn’ meepraten met wat andere media ook al doen, een beetje uitgebreid met eigen kennis. Het is reactief, traag, en vaak een invuloefening. En er zijn steeds meer lezers, jonge mensen die gewend zijn nieuws uit meerdere bronnen te betrekken, die dat zo ervaren. Ik wil me juist onderscheiden door veel minder te doen, maar wel beter.”

Hij verwijt zichzelf achteraf dat hij zijn missie beter had moeten ‘verkopen’ binnen het bedrijf. Toen Wijnberg aantrad als hoofdredacteur, twee jaar geleden, was zijn opdracht juist om de afstand met de NRC te vergroten, ook omdat de avondkrant plannen had om een ochtendeditie te maken. Het leek logisch het onderscheid met de middagkrant te onderstrepen. Maar de ochtendeditie ging van tafel en uit onderzoek bleek dat sommige lezers next niet newsy genoeg vonden. „We waren zo bezig met next van NRC afduwen, dat we het contact hebben verwaarloosd, al had het ook omgekeerd beter gekund. Er is wel overlegd, maar niet op de dringende toon die het kennelijk had en daarna is het geëscaleerd en dat had niet gehoeven.”

Niettemin houdt Wijnberg het principe staande dat kranten „radicaal moeten transformeren” om relevant te blijven voor een groeiende groep jonge lezers. Die noodzaak wordt volgens hem in krantenland nog te weinig gevoeld.

„Het zou onterecht zijn om NRC af te schilderen als een traditioneel bastion waar niets kan. Next, een nieuwe krant die in 2006 begon en een succes werd, is er het beste voorbeeld van. Of neem de website, die heeft het aantal bezoekers verdrievoudigd en maakt nu winst. Maar kranten blijven gefixeerd op hun papieren oplage, in plaats van je af te vragen of je niet digital first moet gaan en vervolgens kijkt of je er een papieren versie bij kunt maken.

„Ik heb bij veel vergaderingen gezeten waarbij de vraag was: hoe weten we zeker dat we hiermee geld gaan verdienen? Nou, dat weet je niet. Maar één ding weet je wel: als je een idee niet uitvoert zit het gouden idee er in elk geval niet bij”. Daarom voelt zijn vertrek toch ook als„ een bevrijding”, zegt hij.

Wijnberg wil geen advertenties en geen investeerders, maar leden. Met vijftien- à twintigduizend first believers, die 60 euro per jaar beloven te betalen, kan zijn initiatief van start gaan en stapsgewijs tot wasdom komen. Teun Gautier, uitgever van De Groene Amsterdammer, geeft hem zakelijke bijstand, en redactieruimte.

„Er is geen agenda”, zei hij regelmatig tegen zijn redactie. „Jullie zijn de agenda”. Dat wil hij opnieuw waarmaken: met een groepje geestverwanten „hun unieke samenraapsel van ideeën over de wereld leggen”. Dat is immers „het enige wat ze onderscheidt van al die andere journalisten”.

    • Hans Steketee