Kelley compleet

Morgen opent in het Stedelijk Museum het duizelingwekkende overzicht van de dit jaar overleden Amerikaan Mike Kelley. „Ik vond dat er na Mike’s dood een soort hoofdlijn nodig was”, zegt directeur Ann Goldstein.

Mike Kelley, ‘Estral Star #3’, 1989. Collectie Ringier AG Foto Mike Kelley Foundation for the Arts

Niemand had ooit kunnen denken, hij zelf al helemaal niet, dat Mike Kelley een van de grote namen in de hedendaagse kunst zou worden. Als bleekneuzige en langharige tiener, de jongste telg uit een conservatief katholiek gezin uit de buitenwijken van Detroit, luisterend naar de muziek van MC5 en Iggy and The Stooges, was hij ervan overtuigd dat hij gedoemd was te mislukken. Sterker: dat was de reden dat hij koos voor een opleiding tot kunstenaar, zo vertelde hij eens in een interview. In de tijd waarin Kelley opgroeide, de vroege jaren zeventig, werden kunstenaars gezien als werkschuwe nietsnutten. „Als je jezelf echt buiten de maatschappij wilde plaatsen, dan werd je kunstenaar”, aldus Kelley.

Maar Mike Kelley (1954-2012) groeide uit tot een van de beroemdste kunstenaars ter wereld. Aanvankelijk hield hij zich nog voornamelijk op in de alternatieve kunstscene van Los Angeles, waar hij in de jaren zeventig en tachtig ruige optredens gaf met noisebands als The Poetics en Destroy All Monsters. Zijn kunst maakte hij niet om te behagen, maar om weerstand op te roepen. Dat deed hij met performances die refereerden aan plas- en poepseks, met sculpturen van groezelige, aan elkaar genaaide teddyberen en met tekeningen in de stijl van underground comics.

Desondanks werd Kelley een held van de gevestigde kunstwereld. Sinds 2005 werd hij vertegenwoordigd door Larry Gagosian, met dertien vestigingen de grootste galerie ter wereld. Hij nam deel aan de Documenta’s van 1992 en 1997, de Biënnale van Venetië in 1988 en 1995 en maar liefst acht keer aan de Whitney Biënnale in New York. Om al die tentoonstellingen in goede banen te leiden had hij een team van tientallen assistenten in dienst. Op veilingen leverde zijn werken de laatste jaren vele tonnen op. Zijn uit oude troep samengestelde junk-art was opeens smaakvol geworden.

Kelley had het daar moeilijk mee. Al in 1992, toen zijn ster begon te rijzen, zei hij tegen de L.A. Times: „Het feit dat mensen ontvankelijker worden voor het werk maakt het er niet gemakkelijker op. Ik heb mijn werk nooit voor een publiek gemaakt – sterker, door al die positieve feedback krijg ik het idee dat ik iets verkeerd doe. Ik geef niks om luxe spullen en dinertjes en dat soort onzin. Ik houd ervan over de dingen na te denken. Voor mij is eenzaamheid de ultieme luxe.”

Tegen journalist Tulsa Kinney van het tijdschrift Artillery klaagde hij er in november 2011 over dat de kunstwereld steeds meer gericht raakte op geld en carrières. Als hij nu zou moeten beginnen, zei hij, dan was hij nooit kunstenaar geworden.

Op 31 januari 2012 pleegde Mike Kelley zelfmoord in zijn huis in South Pasadena. Was de roem hem toch te veel geworden?

Liefdadigheidsinstelling

In het Stedelijk Museum in Amsterdam, waar de voorbereidingen voor het grote Mike Kelley-retrospectief in volle gang zijn, denkt Mary Clare Stevens lang na over die vraag. De Amerikaanse kunstenares was sinds 2003 Kelley’s vaste assistent en is nu medeverantwoordelijk voor de Mike Kelley Foundation for the Arts, de liefdadigheidinstelling die hij in 2008 oprichtte met als doel muzikanten, schrijvers, curatoren en kunstenaars financieel te ondersteunen. „Volgens mij had Mike er geen moeite mee dat hij een beroemd kunstenaar geworden was”, zegt ze dan. „Dat is wat hij altijd had gewild. Het was meer de kunstwereld zelf die hij steeds meer verafschuwde.”

En hij was niet de enige, vult Ann Goldstein aan. De directeur van het Stedelijk Museum kende Mike Kelley al sinds 1985 en werkte als conservator van het MoCA in Los Angeles vaak met hem samen. „Nu hij zo tragisch is omgekomen, is de verleiding groot om van alles achter die zelfmoord te zoeken. Maar iedereen klaagt erover dat de kunstwereld steeds commerciëler wordt. Ik denk dat voor alle kunstenaars uit zijn generatie geldt dat ze toch ook blij zijn dat hun werk gerespecteerd en getoond wordt. Ook Mike was er trots op dat hij deel was gaan uitmaken van de kunstgeschiedenis.”

In de jaren zeventig had de kunstwereld weinig met glamour te maken, zegt Goldstein: „Voor jongere kunstenaars is dat nu moeilijk voor te stellen. Maar toen Mike naar de academie ging, had hij nooit verwacht dat hij als kunstenaar geld zou kunnen verdienen. Op Cal Arts studeerde hij bij kunstenaars als John Baldessari en Jonathan Borofsky, die ook niet hadden durven dromen dat ze ooit van hun werk zouden kunnen leven. Voor die generatie was lesgeven een integraal onderdeel van hun werk. Mike had een hele brede definitie van hoe hij als kunstenaar kon functioneren: door kunst te maken, door les te geven, door over kunst te schrijven. Hij was daar heel serieus in en had een heel groot verantwoordelijkheidsgevoel. ‘Getting it right’ was voor hem heel belangrijk. Maar in de tussentijd zag hij wel hoe de kunstwereld in een razend tempo veranderde en steeds oppervlakkiger werd.”

Het idee voor een grote tentoonstelling over Mike Kelley werd al in 2006 geopperd door de toenmalige Stedelijk-directeur Gijs van Tuyl, die er het nieuwe museum mee wilde openen. Het oorspronkelijke tentoonstellingsconcept werd bedacht door Eva Meyer-Hermann, die eerder de succesvolle Warhol-expositie maakte voor het Stedelijk. In 2009 kreeg het museum voor dat concept de Turing Toekenning van 450.000 euro. Maar doordat de nieuwbouw grote vertraging opliep, werd de tentoonstelling almaar uitgesteld. Toen Kelley begin dit jaar zo plots overleed, besloot Goldstein dat ze de tentoonstelling zelf wilde maken. „Ik heb er een meer chronologische expositie van gemaakt. Ik vond dat er na Mike’s dood een soort hoofdlijn nodig was. En dat we het werk moesten bekijken zoals Mike er zelf naar keek. Hij werkte en dacht altijd in grote thema’s en projecten. Dus dat was de koers waarop we zijn doorgegaan.”

Knuffeldieren in seksstandjes

Met bijna 200 werken uit de afgelopen 35 jaar is dit het grootste Kelley-overzicht ooit. De tentoonstelling neemt alle zalen van de nieuwbouw in beslag, inclusief de roltrappen, en leidt de toeschouwer langs een duizelingwekkende hoeveelheid tekeningen, sculpturen, installaties, films, foto’s, maquettes, teksten en video’s. Kelley was een duizendpoot die in bijna alle denkbare media werkzaam was. Een kunstenaar die, zo bewijst deze tentoonstelling keer op keer, ver voor de troepen uitliep. In de jaren zeventig en tachtig, toen minimalisme en conceptualisme de boventoon voerde, maakte hij objecten die verwezen naar het middle-class leven van de doorsnee Amerikaan. Zijn vogelhuisjes of gehaakte knuffeldieren, al dan niet aan elkaar vastgenaaid in allerhande seksstandjes, hadden meer te maken met folklore dan met highbrow kunst. Maar intussen paarde hij dat truttige handwerk wel aan de duistere krochten van de menselijke psyche. Kelley was gefascineerd door Freuds theorie over ‘the uncanny’, het Unheimliche.

Met zijn perverse, jeukende, stinkende installaties werd Kelley al snel een belangrijke vertegenwoordiger van de nieuwe kunstbeweging die aan de Amerikaanse westkust ontstond en waar ook Paul McCarthy en Tony Oursler deel van uitmaakten. Hun ‘over the top’ installaties vormden een antipool van de gladde kunst die aan de oostkust van Amerika werd gemaakt. Kijk naar Kelley’s foto’s uit 1990 van volwassenen die seks hebben met reusachtige teddyberen – nachtmerrie-achtige beelden die niet gemakkelijk van je netvlies te krijgen zijn. En vergelijk ze dan met de kitscherige softporno die de New Yorker Jeff Koons rond dezelfde tijd maakte voor zijn bekende serie Made in Heaven. Koons schiep een ideaalbeeld van zijn leven en liefde; Kelley schetste ongenaakbaar het echte leven.

Autobiografische valstrik

Soms is Kelley’s werk zwaar op de hand, zoals in een tekening uit 1978 van een man die op een tafel staat waarvan de poten breken, terwijl de ‘worldly problems’ hard op zijn schouders duwen. ‘Man tries to raise himself up’, staat eronder geschreven. Ook titels als ‘Oh, the Pain of it All’ (1980) of ‘Half a Man’ (1987-1991) doen een zwaarmoedige, depressieve kunstenaar vermoeden. Is Kelley zichzelf altijd als een mislukkeling blijven zien?

De valstrik van Mike Kelley is dat je zijn werk autobiografisch ziet, zegt Stevens. „De media en ook de toeschouwers dachten vaak bij het zien van die teddyberen dat Mike zelf een slechte jeugd gehad had. Ze projecteerden hun ideeën op de kunstenaar, alsof hij zelf misbruikt was. Toen besloot Mike dat hij dat wel een grappig idee vond om mee te werken. Hij stond open voor wat mensen er maar in wilden zien, en gebruikte die ideeën weer in zijn volgende werken.”

Zo raakte Kelley geïnteresseerd in het ‘repressed memory syndrome’, een aandoening waarbij pijnlijke herinneringen worden weggestopt. Daar speelde hij mee toen hij het pseudo-biografische werk Educational Complex (1995) maakte, een serie maquettes van alle scholen die hij ooit bezocht. De klaslokalen die hij zich niet goed meer kon herinneren, liet hij oningevuld. Waardoor de vraag zich opdrong of zich daar wellicht iets naars had voorgedaan.

Volgens Goldstein ligt daarin het geheim besloten van het succes van Mike Kelley: „Alle grote kunstenaars laten ons iets zien van zichzelf, zonder dat hun werk noodzakelijk over hun eigen biografie gaat. Ze vertellen ons hoe zij een relatie zijn aangegaan met de wereld waarin we leven. Mike heeft dat gedaan op de meest oprechte, creatieve, associatieve, humorvolle en soms ook afstotelijke en grove manier. Hij heeft een ongelofelijke kosmologie geschapen, die voortkomt uit zijn eigen ervaringen, maar die over meer gaat dan die ervaringen. De beste kunstwerken zijn die waar wij als toeschouwer de ruimte krijgen om er een relatie mee aan te gaan. Zodat we ze kunnen verbinden met ons eigen leven. We hebben allemaal wel eens een schoolmusical meegemaakt, een kostuum aangetrokken voor een stukje, in een jaarboek gestaan, met een teddybeer in bed gelegen. Dat is waarom het werk van Mike Kelley ons zo raakt.”

Mike Kelley. 15 dec t/m 1 april in het Stedelijk Museum, Amsterdam. Di, wo 11-17u, do 11-22u, vr,za,zo 11-18u. Inl: stedelijk.nl

    • Sandra Smallenburg