'Het komt pas aan bij het publiek als ik het zelf ook voel' Scheppen Tekst Saskia van Loenen Foto Mark Kohn

Hoe ziet de werkplek eruit van mensen die scheppen? Wat hebben ze nodig om tot hun creaties te komen? Aflevering 27: cabaretier, zangeres, schrijfster, tv- en radiomaker Claudia de Breij (1975). Ze woont en werkt in Utrecht.

‘De hele bovenste etage van ons huis is mijn werkplek, ontzettend luxe natuurlijk. Compleet met keuken, eettafel en een aparte zithoek met piano en gitaren. Ik probeer deze plek te zien alsof het niet mijn huis is, dus als ik hierheen ga ben ik netjes aangekleed en opgemaakt. Als ik hier kom wordt er ook echt gewérkt. Om negen uur zit ik aan het bureau, met de laptop; meestal op maandag en donderdag, mijn schrijfdagen. Liedjes en teksten. Ik heb een afwijking: voor iedere nieuwe voorstelling koop ik een nieuwe laptop. Dat vind ik prettig. Ik begin altijd in een schoon schriftje, zou je kunnen zeggen. Ik ben nu bezig met het maken van een plaat; twaalf nieuwe liedjes, waar heel misschien straks ook een klein voorstellinkje uit voortkomt. Ik zeg dit wat voorzichtig – mijn vorige tournee heb ik moeten afzeggen door privésores. Maar nu is het gevoel weer terug.

De eerste gedachtes die ik heb, ideetjes die ik opdoe zet ik snel in mijn iPhone. Mijn ervaring is: je vergeet alles, ook de meest briljante ideeën. Dus als ik iets bedenk schrijf ik het meteen op. Een opmerking die iemand maakt, waarvan ik denk: hee. Mooi. Zoals laatst op een crematie, waar de uitvaartbegeleidster zei: u kunt nu allemaal de familie gaan condoleren, maar u kunt ook overwegen om dat niet nu te doen, maar straks – als de aandacht afneemt. Dat vond ik zo prachtig, ik zette meteen ‘Niet nu’ in mijn telefoon, met in drie steekwoorden wat er gezegd was. Ik heb er net een liedje op geschreven. Niet nu. In mijn telefoon staan ook rare dingen die ik in mijn hoofd heb. ‘De Brabantse Walvis’ – het geluid van een walvis lijkt eigenlijk best wel op dat platte Brabants, dus als wij Brabanders gaan nadoen, kunnen we misschien met walvissen praten. Nou ja (lacht hard), dit slaat natuurlijk nérgens op! Gênant gewoon. Totaal kansloos.

Het uitwerken doe ik in boekjes. Het begint met schrijven. Zitten en schrijven. Wat voor associaties roept het onderwerp op? Veel krassen, strepen. Altijd eerst de tekst. Heel soms hoor ik daar meteen het melodietje bij, maar meestal schrijf ik het zonder melodie helemaal uit. Ik let goed op het ritme, het metrum moet kloppen. Vroeger schreef ik vooral mooie zinnen, heel talig. Maar inmiddels heb ik het geheim van Engelse pop ontdekt: hoe lekker dat bekt. En dat dat soms belangrijker is dan precies die woorden of uitleg in het liedje stoppen die je in je hoofd had.

Na het boekje gaat het over in de computer, omdat ik dan de vorm goed zie. De lengte van de zinnen, het aantal lettergrepen. Ik zie het meer in zijn geheel. Later gaan Sander (Geboers, componist, red.) en ik hier samen zitten en laat ik hem horen wat ik heb gemaakt. Ik zing het voor, hij pakt zijn gitaar of gaat aan de piano zitten en samen zoeken we dan naar de geschikte melodie. We luisteren soms naar andere artiesten; niet om het te kopiëren, maar om het juiste gevoel erbij te krijgen. Soms is een liedje gelijk af, maar soms moet je het echt uit de klei trekken. Het is ook echt niet zo dat iets alleen goed zou zijn als het meteen staat. Welnee – it’s work.

De voorstelling schrijf ik helemaal zelf. Pas in een heel laat stadium komt de regisseur erbij, eerst doe ik nog de try-outs. Soms voel je vlak voor je opgaat: die ene grap, dat lied – hij gaat eruit. Het klopt niet. Op het podium ga je onderuit als het, zoals ik dat noem, schrijftafelgezwoeg is. Het publiek moet er iets aan hebben. Dat ze erom lachen, ontroerd raken; maar het mag ook best schuren, onaangenaam zijn. In feite is al mijn werk óf geruststellend óf het verontrust. Troosten doe ik graag. Het is voor iederéén niet zo makkelijk allemaal. Troosten doe je trouwens ook door mensen aan het lachen te maken.

Ik werk altijd met een pauze, dat vind ik heerlijk. In twee delen een show. Ik weet inmiddels wat de wetmatigheden zijn en stuur de mensen dus met een lach de pauze in. De humor in mijn liedjes of show komt vaak voort uit waar ik me aan erger. Mensen die zeggen dat ze ‘geen tijd voor een relatie’ hebben; die zie ik altijd in Lingo. Dáár hebben ze dus wel tijd voor (lacht) – het zijn dus gewoon kneuzen. Het komt voor dat ik zelf ergens hard om moet lachen, maar verder niemand. Terwijl ik dan toch heel sterk voel dat het echt een goede grap is. Je weet het pas als je op het podium staat. Je moet er zelf echt in geloven, dat is het hele geheim. Dat geldt ook voor liedjes. Ik moet het voor me zien, moet er zelf echt in zitten.

Ik merk tijdens het toeren pas hoe het écht met me gaat. Mensen merkten het niet aan me toen ik middenin mijn privéshit nog die voorstelling Hete Vrede speelde, met grappen en al; maar ik merkte wel het effect van de liedjes op het publiek. Ik zong een liedje en op rij één zag ik een mevrouw huilen – shit, snel een andere kant op kijken anders ga ik zelf janken. Maar daar zat zo’n grote havenarbeider óók te huilen. Mensen voelen wat je voelt maar wat je niet zegt. Dat is zo bizar. En ontzettend mooi.”