Door de bank genomen

Europa krijgt zijn gemeenschappelijke bankentoezicht, zo besloten de ministers van Financiën vanmorgen vroeg na een marathonzitting. Daarmee heeft Europa zowaar een zelf gestelde deadline gehaald. De Europese Centrale Bank zwaait straks de scepter over het toezicht over banken die essentieel zijn voor het financiële systeem. Van die banken, met een balanstotaal dat 30 miljard bedraagt of meer dan een vijfde deel van de omvang van de economie van hun thuisland, zijn er in Europa tussen de 150 en 200.

Dat betekent dat het overgrote deel van de 6.000 banken buiten de directe communautaire invloed blijft. Zij blijven het domein van de nationale toezichthouder, en dus onderhavig aan het vertrouwen tussen centrale bankiers onderling, dat in het verleden wankeler bleek dan gedacht. De ECB heeft, als het fout dreigt te gaan, wel de mogelijkheid om in te grijpen. Een complex stelsel van besluitvorming moet kleinere lidstaten als Luxemburg voldoende stem geven en niet-eurolanden als het Verenigd Koninkrijk voldoende waarborgen voor invloed. Dat klinkt positief, maar in wezen is het resultaat teleurstellend. De systeembanken zijn al dusdanig ingebed in nieuwe wet- en regelgeving dat de kans op hernieuwde calamiteiten sowieso al was gedaald. De werkelijke risico’s liggen vooral in de laag daaronder.

Wat de kredietcrisis nu juist boven tafel bracht, is dat het banksysteem onderling vergaand verbonden is. Dit blijkt pas als het fout gaat. In die zin is een middelgrote bank evengoed een gevaar voor het systeem. Duitsland heeft het klaargespeeld zijn grote populatie van regionale banken buiten het overkoepelende toezicht te houden.

Tijdige signalering van problemen en adequaat ingrijpen hangen dus af van de communicatie en het vertrouwen tussen nationale toezichthouders – meest centrale banken – en de ECB. Maar wat de kredietcrisis óók duidelijk maakte, is dat dit vertrouwen tussen de centrale bankiers niet zo vanzelfsprekend is als gedacht. Zie de zaak-IJsland, en vooral de zaak-Fortis waarin nationale belangen vóór de gemeenschappelijke gingen.

Alleen een werkelijk gecentraliseerd toezicht voor álle banken kan dit tegengaan. Bovendien zijn er nog geen besluiten over twee cruciale vervolgstappen: het sluiten van falende banken en de afwikkeling daarvan, en een gemeenschappelijk financieel vangnet dat het lot van overheden en banken eindelijk zou scheiden.

Alles bij elkaar lijkt de overeenkomst van vandaag heel wat, maar schiet zij in wezen tekort. Europa heeft nog steeds geen effectief gemeenschappelijk bankentoezicht. Dat is, ruim vier jaar na het begin van de kredietcrisis, teleurstellend.