Dictee-exoten op 't streepjesslagveld

Gemiddeld maakten de deelnemers aan het Groot Dictee der Nederlandse Taal 29 fouten. Auteur Van Dis speelde met ingewikkelde afspraken.

Hij had het aangekondigd, Adriaan van Dis, schrijver van het jongste Groot Dictee der Nederlandse Taal. Zijn editie, de 23ste inmiddels, zou het vooral moeten hebben van woorden die los of aaneen moeten worden geschreven, niet zozeer van moeilijke, exotische woorden of de geheide dictee-instinkers.

Die laatste categorie was er natuurlijk wel, in de jaarlijkse spellingtest die de Nederlandse en Vlaamse publieke omroepen gisteren uitzonden, in samenwerking met de Volkskrant en de Vlaamse De Standaard.

Er kwam weer een „weids” uitzicht voorbij, en er was een „minutieus gekalligrafeerd epistel” – woor den die minder ervaren dicteeschrijvers nogal eens als wijds of minitieus neerpennen. En er waren exoten als suède molières, brogues, coûte que coûte en de nouveaux riches.

Meeschrijvers die het laatste begrip in enkelvoud noteerden, werden bij de uitleg na het Dictee vermanend toegesproken. Ook al hoor je geen verschil tussen enkel- of meervoud, zelfs als het zorgvuldig wordt uitgesproken door de verfranste Nederlander Philip Freriks, het móét meervoud zijn. Het Groene Boekje, de van staatswege gefiatteerde woordenlijst van de Nederlands taal, tolereert immers slechts de meervoudsvorm. Het Witte Boekje, spellingsgrondslag voor deze krant, staat het enkelvoud wel toe.

Dat onderstreept het manco van elk dictee: spelling is een stelsel van afspraken, dat geldig blijft tot we iets anders afspreken. Zo mag van het Witte Boekje ook de orang-oetan bestaan naast Dicteewoord orang-oetang, terwijl de officiële woordenlijst alleen het laatste dier wil kennen.

Maar naar de maatstaf van giste ren moet nouveau riche dus fout worden gerekend. Of nee: als twee fouten. Want als in woorden of begrippen meer fouten zijn te maken, worden die allemaal gerekend.

En daardoor dreigde gisteravond een slagveld. Van Dis had voor zijn dictee de twee-onder-een-kapwoningwijk bedacht, een woordspeligheid als spring-in-’t-veldleeuweriken, laag-bij-de-grondse boerenkop, a-priorikeus en no-goarea. Elf fouten voor wie hier alle streepjes miste, door aaneenschrijven of aanbrengen van spaties.

Zo bezien mag het een godswonder heten dat ambtenaar Edward Vanhove uit Maaseik, de Vlaamse winnaar van het dictee, slechts op drie fouten kon worden betrapt. Waarmee hij weer ternauwernood ontsnapte aan het oordeel van beroepsmopperkont en hoogleraar Maarten van Rossem, die ook deelnam: „Degene die dit volledig correct heeft gespeld, die laten we zeggen minder dan twee fouten heeft, die dient onmiddellijk in een gekkenhuis te worden opgenomen.”