De zucht van het racket

Vlak voor grote wedstrijden in New York verstopte Kim Clijsters zich altijd even, vertrouwde de tennislegende Wilfried de Jong toe. Ter gelegenheid van haar afscheid en een boek sprak hij uitgebreid met haar. „Je kunt verdriet verwerken met tennis.”

Foto Imagellan

Z e ziet de meubels nog zo buiten staan, voor de garage in Bree. Een paar keukenstoelen vormden het tennisnet, het smalle pad was de baan. Haar eerste racket en een tennisbal, dat was genoeg om Kim rond het ouderlijk huis te laten veranderen in een furieuze tennisdame. In een Steffi Graf-tenue imiteerde ze de forehand en de smash van haar idool. Kim had op jonge leeftijd al sterke bovenbenen. Ze zouden later goed van pas komen in haar powertennis. Forse dijen waarin spieren lagen die onvermoeibaar leken.

„Die heb ik van mijn pappa”, zegt ze. „Lei was profvoetballer, echte verdediger. Daar kwamen ze niet langs. Naast dat stevige lijf heb ik ook zijn instelling: een vechtjas, van nature krachtig. Ik tenniste niet subtiel. Het moest hard. Al ben ik ook lenig. De souplesse heb ik van mamma, zij turnde vroeger. Losse schouders, een rug die makkelijk draait. En als mijn enkels op de baan omsloegen, kon ik altijd vlot door. Moet ik mijn benen in een split leggen? Ik kan het nog steeds, hoor.”

Haar grote, open ogen kijken nuchter de wereld in. Kim is vrij. Echt vrij. Geen toernooien meer, geen pers na afloop, geen kinesiotape op pijnlijke plekken. Het gewone leven lonkt: thuis met dochter Jada, in de sauna met haar man Brian, een autoritje door Vlaanderen, familie en kennissen. Kim Clijsters heeft haar eerste racket bewaard waarmee ze de bal tegen de muur en de garage sloeg. In alle topsportjaren genoot ze van het simpele, mooie geluid: de zucht van het racket. „Die lucht door de snaren van een racket heen. Ffffff. Zo mooi! De bal precies in het midden raken. Als ik dat geluid hoor, weet ik dat de bal goed terechtkomt. Met de ogen dicht. Ik heb geen challenge nodig, ik zal niet rap twijfelen. Ik weet bijna zeker wanneer een bal in of uit is.”

Vlak voor wedstrijden voelde Kim met welke van de vier uitverkoren rackets ze zou beginnen. Uit het cellofaan, opnieuw bespannen met snaren van kattendarm en voorzien van vers windsel om de grip. „Met de ogen dicht voelde ik welke het lekkerst was. In de fabriek worden ze ook zo gemaakt, maar ik voelde altijd verschil in de grip. Een kwestie van gevoel.”

Het snijdt Kim door de ziel als een racket aan diggelen wordt geslagen, vooral als kinderen het doen. „Ik sliep als kind met mijn racket in bed, het lag als een knuffel onder de dekens. Pappa heeft me respect voor materiaal bijgebracht. Toch heb ik er ook wel een paar kapotgemaakt. Als meisje van tien speelde ik een toernooi in Brussel. Het stond 6-6 en 3-3 in de tiebreak. Ik wisselde van kant terwijl ik net een punt had gemist. Ik sloeg met de rand van het racket tegen de paal van het net. Bam. De bespanning schoot los. Ik verloor de set en de match. Ik weende en was bang voor een uitbrander van pappa. Mijn ouders betaalden alles en zo’nracket bespannen kostte al snel 50 euro.”

Tijdens de terugrit keek Kim uit het zijraam om oogcontact met haar vader via de binnenspiegel te vermijden. Ze zette haar tennistas in de garage en vloog naar boven. Kim: „Mijn vader riep me weer naar beneden. Hij had mijn racket in zijn hand en brak het kader in één keer op zijn knie. Een hele preek. Ik smeekte hem om te stoppen. Dit ga ik nooit meer doen, dacht ik. Later heb ik op trainingen nog weleens een racket kapot geramd omdat ik het niet kon uitstaan dat ik slecht sloeg. Maar met een volgend racket gaat het nooit beter. Als je niet lekker speelt, kun je maar één ding doen: terug naar de basis. Concentreren. Sta ik nog goed en kijk ik naar de bal?”

Kim zag alle hoeken van de wereld, zonder haar geboortegrond te vergeten. Het kleine Bree, waar ze de weg blindelings kende. Haar thuis. Vlaanderen. Overzicht. De taal, de ingesleten paden. Het was vertrouwd. In het buitenland zocht ze naar geborgenheid. „Eigenlijk hield ik niet van dat onrustige bestaan. Steeds maar doorgaan. Ik ben altijd graag in mijn eigen coconnetje geweest.”

Hoe moest dat dan in New York tijdens de US Open? „Nadat ik in 2005 het toernooi voor het eerst had gewonnen besloot ik de keren erop zoveel mogelijk hetzelfde te doen. Dus sliep ik daarna altijd in Hotel Michelangelo, een paar straten van Times Square. Klein en rustig. Ik nam altijd dezelfde kamer en lag aan dezelfde kant van het bed. En at elke ochtend hetzelfde ontbijt: havermout met vruchten.”

Het toernooi zelf was een bijenkorf vol bezige bijen. Overal iemand die iets van haar wilde, ook achter de schermen. Een praatje, handtekening, foto. „Vlak voor grote partijen voelde ik meer zenuwen dan normaal. Je hebt in het kleedkamergebouw van die hokjes. Het tweede toilet werd mijn geheime plek. Zelfs de trainer heeft het nooit geweten. Als het bezet was, wachtte ik. Ik moest en zou naar dat tweede toilet. Deur op slot. Kleding niet naar beneden. Deksel erop en zitten. Van boven en van onderen waren de deuren van die hokken open. Er zaten spleten tussen de muur. Ik hoorde en zag iedereen voorbijlopen. Het was zo’n fijne plek. Heel even niet gestoord worden. Daar deed ik dan mijn ademhalingsoefeningen om rustig te worden. Vier tellen inademen, zes tellen uitblazen. En dat drie minuten lang. Ik moest een huisje creëren, even weg zijn van iedereen.”

Kim beleefde in New York haar sportieve hoogtepunten. Ze won het grandslamtoernooi drie keer. Na de eerste winst in 2005 won ze in 2009 in haar second career. „Na de finale moest ik interviews doen, ik hoorde de hele tijd tsjoek-tsjoek-tsjoek van fototoestellen. Om half drie in de nacht had ik nog niets kunnen eten. Ik wilde weg van de gekte en besloot alleen met mijn man in de buurt van het hotel snel iets te eten. Op straat overviel me alles wat er gebeurd was dat jaar. Mijn vader was in januari aan kanker overleden. Natuurlijk had ik er met mijn man en mijn zus veel over gesproken. En toch, door de vreugde van die avond, door het geluk dat bij iedereen op het gezicht te lezen stond, werd ik juist overvallen door verdriet. Ik ben op Times Square gaan wenen. Ik merkte dat ik toch niet alles goed had verwerkt. Het verdriet was er weer, in alle hevigheid.”

Kim besefte hoe intens de relatie met haar vader was geweest. Twee handen op één buik. Hij hield de pers op afstand. Kim moest – zeker in haar eerste profjaren – kind kunnen zijn, vond haar vader. Met de technische en tactische kant bemoeide Lei zich nauwelijks. „Ik herinner me dat er werd gesproken over backhandslice en dat papa niet wist wat het voor een slag was. Weet je wat hij goed kon? Tegenstanders taxeren. Hij vertelde via de telefoon dat hij Venus Williams op tv had gezien en zeker wist dat ze conditioneel niet goed genoeg was. Ik moest in de derde set doorduwen, vond hij.”

De laatste uren van zijn leven lag hij in coma. Kim en haar zus hadden ieder een hand beet en wachtten de laatste adem van hun papa af. „Hij was de eerste mens die ik zag sterven. Ik heb mijn grootouders nog. Het was confronterend. Die altijd sterke papa zo te zien liggen, beseffen dat hij er niet meer zou zijn. Maar hij stierf heel rustig. Met een lach op zijn gezicht, die smile... Ik wist dat ik vanaf die dag zelf mijn mannetje moest staan.

„Ik voel de connectie met papa nog steeds heel sterk. Hij is er nog voor me. Daarom ben ik ook niet meer zo bang voor de dood. Hij was een no-nonsense-type, maar in zijn laatste maanden sprak hij over hoe hij boodschappen voor me moest achterlaten als hij er niet meer was. Een soort telepathie. Ik ging na zijn dood met mijn dochtertje naar een juniorenwedstrijd van Standard. Mijn neef deed mee. We stonden achter de reclameborden. Mijn dochtertje zag iets liggen in het gras en wilde het pakken. Ik zeg: ‘Nou, heel snel, want zo komen de grote mannen met de bal aangehold’. Het was een knoop. Ik stak ’m in mijn zak. In de pauze haalden we soep in de kantine. Ik graaide in mijn zak, de knoop kwam tevoorschijn en ik zag de initialen van mijn papa erop staan. Onvoorstelbaar. Ik hield de knoop altijd bij me, in mijn tennistas.”

Met haar moeder had Kim een moeizame band („de laatste jaren gaat het gelukkig weer goed”), zeker toen die tijdens Lei’s ziekbed uit huis trok en aan een nieuw leven begon met een andere man. Kim: „Ze kreeg een kind en trok zich niets van ons aan. We belden wel maar ze heeft pappa nooit meer gezien, zelfs niet toen hij op het laatst om haar vroeg. Het is heel erg als je mamma dat doet. Ze is heel introvert. Ik heb de urn thuis staan met een foto van pappa ernaast. Ze kan er niet lang naar kijken, komt er niet in de buurt. Ze wil er ook niet over praten.”

Kim was een tennisdier. Ze zou niet weten wat ze anders had gemoeten in haar leven. Het stevige lijf dat razendsnel de hoeken van de baan vond. Piepende schoenen op haar geliefde hardcourtbanen. Jagen op haast onhaalbare ballen. Met de benen in een spagaat terugslaan, terugsprinten naar het midden.

Op internet staat een veelbekeken rally met Maria Sjarapova. Ze vechten voor elke bal. Kim: „De jeugd wil nu niet meer voor alles lopen. Ik leerde als kind: al is de bal anderhalve meter uit, probeer het. Het allermooiste is om dan met een verre forehand een winner te slaan. Ik plaag graag: de bal tegenvoets nemen en iemand op het verkeerde been zetten. Niet voor de open baan kiezen maar de bal hard in het kleine hoekje plaatsen.”

De duels met de Waalse Justine Henin lagen onder een vergrootglas. De pers zocht naar rivaliteit. „Toen we tien, elf jaar waren, reisden we samen naar het buitenland. We deelden een kamer, steunden elkaar. Justine was altijd introvert. Omdat haar moeder gestorven was, wilde ik haar goed laten voelen. We konden in die tijd lekker babbelen. Ik ben een echte babbelaar. Maar toen kwam die Argentijnse trainer, op wie Justine erg leunde. Bij iedere opslag keek ze even naar hem op de tribune. Hij zei dat ze iedere tegenstander moest haten, alleen dan kon ze winnen. Verschrikkelijk. Bij de grote toernooien nam de rivaliteit toe. Een diepgaand gesprek voeren was lastig. Achteraf zeg ik: jammer dat we geen buddy’s waren. Met andere topmeisjes had ik dat wel, maar onze persoonlijkheden zijn te verschillend. Sommige dagen keek ze me niet aan, op andere dagen wel. Ach, ik kon het wel van me afzetten. Toen zij de gouden medaille in Athene won, heb ik gehuild van blijdschap. Voor haar.”

In haar vrije tijd bezoekt Kim nog altijd graag een tennisbaan. Onlangs stond ze in een Vlaamse hal waar ze als kind een toernooi speelde in de herfst. Bij het binnenkomen snoof ze de geur op. „Ik belde meteen naar mijn zus om te vertellen dat het na twintig jaar hetzelfde rook. Ah, die geur. Niet vies. Helemaal niet vies. Het rook er naar oud hout. Heerlijk. Op Wimbledon hangt ook zo’n bepaalde geur. Zeker in de ladies locker room. Er ligt tapijt en de muren hebben stoffen bekleding. Alles is zacht. Er komt een vrouw vragen of ze het bad moet laten vollopen. Het geluid op en rond het gras, ook zo zacht. Een soort Eurodisney. Op mijn zestiende liep ik daar opeens rond, als in een droom. Ik speelde tegen een dertigjarige Steffi Graf. Ze won. Natuurlijk won ze. Ik was zo onder de indruk van de entourage. Het jaar erop speelde ik op center court. Toen is de gekte begonnen. Ik was een meisje nog, een flapuit. Ik babbelde graag met de pers, maar achter elke opmerking werd iets gezocht. Ik raakte op mijn hoede. Achteraf zeg ik: mijn kindzijn werd me afgenomen.”

Veel profs verdwaalden in de wereld van roem, geld en aandacht. Ze konden de luxe niet aan. Kim bleef met beide benen op de grond staan. „Sexy in de lens kijken en mijn haar stylen heeft mij nooit geboeid. Ik probeerde mezelf te blijven. Ik ken Serena en Venus Williams goed. Zoals zij zich voordoen, zo zijn ze niet in het echt. Het is een pose. Bij mij zal tenniskleding nooit strak zijn, ik wil er geen aandacht mee trekken. Laat het rond mij maar rustig zijn.”

Als het op grote toernooien toch ging stormen in haar hoofd, belde ze haar vader. Het gesprekje duurde nooit langer dan een paar minuten. Vader maande haar aan tot kalmte en refereerde aan de tijd dat Kim als kind heel ontspannen op de achterbank van de auto zat met de honden. Vlak voor grandslampartijen hoorde ze door de hoorn het rustgevende zinnetje: ‘Kim, denk aan de honden’.

„Als kind was ik erg verlegen en onzeker. Ik was snel zenuwachtig. Na mijn comeback liet ik me niet meer beïnvloeden door stress. Ik ben toen pas de tennisspeelster geworden die ik altijd had willen zijn. Ik had geleerd dat tennis mij juist ontspanning kon bieden. Het heeft ook een helende werking. Je kunt verdriet verwerken met tennis. Dan sloeg ik een uurtje hard tegen de bal, op die manier zette ik zorgen van me af. Ik vergat alles op de baan. Tennis voelde zo goed, ik zou niet weten wat ik anders had moeten doen. Ik twijfelde aan alles maar niet aan mijn sport. Tennis was mijn alles.”

Dit is een ingekorte versie van een hoofdstuk uit het boek Kim Clijsters (eerste en enige officiële carrièreoverzicht) van Filip Dewulf en Wilfried de Jong. Uitgeverij Kannibaal/Hannibal.

    • Wilfried de Jong