Al die dingen

“Wat zag je op de weg van je huis naar de universiteit?” is de eerste vraag die ik de studenten stel. Ze moeten opschrijven wat ze gezien hebben, wat ze is opgevallen onderweg. De buitenlandse studenten zien doorgaans veel meer en hele andere dingen dan de studenten die de weg al kennen, simpelweg omdat ze nieuwsgieriger zijn; er valt nog wat te ontdekken. Ze schrijven vol verbazing over de meest voor de hand liggende dingen zoals hekken, poortjes, banken, dakpannen, rechte lijnen, structuur. Ze giechelen erbij terwijl ze hun bevindingen voorlezen, alsof het om een attractie gaat.

Ik ben nu in Berlijn en iemand zei me dat ik het Museum der Dingen moest bezoeken. Achter de kassa zat een jongen die wilde weten hoe ik in het museum terecht was gekomen, alsof hij zelf verbaasd was dat er mensen naar “dingen” kwamen kijken en daar geld voor betaalde. Ik betaalde vijf euro, daarna mocht ik het museum in. Er stonden inderdaad, ehm… allemaal dingen.

In vitrinekasten die in lange rijen stonden opgesteld lagen borden, föhns, plastic autootjes, niveapotjes, pennen, stoelen, paspoppen, computerspelletjes etc. Ik keek er naar en ik (her)kende alles al wat ik zag. Toch dacht ik plotseling: mooi, die dingen. Ik bedoel: dat er dingen zijn, allemaal met hun eigen vorm en functie. De meeste dingen zijn zo vanzelfsprekend dat we vergeten dat ze er zijn. Pas als iets ons wordt afgenomen weten we wat we missen. In de krant stond alweer een tijdje geleden een artikel over een gezin waarvan het huis tot aan de grond wat afgebrand. Er was echt niets meer over, zelfs de kat was dood. Het enige ding dat de man had kunnen redden was iets dat van tevoren geen speciale betekenis had gehad: een accordeon. Dat trof me.

Heel vaak denk ik aan de accordeon van die mensen, ook weer in het museum toen ik voor de vitrinekasten de dingen op waarde probeerde te schatten en het soms niet kon laten om te giechelen. Toen ik even later weer buiten in de sneeuw stond dacht ik: alles is er gewoon. En dat is eigenlijk heel ongewoon.