102 jaar in de Zeeuwse zeelucht

Mannen van boven de 97 zijn er in Nederland zo weinig dat er geen statistieken over zijn. Richard Plasschaert is er een van. Met drie glazen wijn per dag.

Meneer Plasschaert is 102 jaar en woont in verpleeghuis Rozenoord in Sluis. + foto's van Sluis en de streek er rond. Foto's door katrijn van giel op 27/11/2012. Meneer Plasschaert met zijn dagelijks glas wijn. katrijn van giel

Redacteur Zorg

Richard Plasschaert ziet zijn oom uit België nog het erf opfietsen. Hij kwam vertellen dat de Eerste Wereldoorlog voorbij was. Richard was acht jaar oud. De boerderij in Sluis, waar Richard woonde, had niet zo geleden, maar dat de oorlog afgelopen was, herinnert hij zich goed. En dat hij gevechtsvliegtuigen zag overkomen. Mooi was dat.

Plasschaert woont in het dorp Sluis, vlakbij de zee en de Belgische grens. Al 102 jaar. Net als 15 anderen in deze gemeente is hij boven de 100. Hij woont in een verpleeghuis en is nog helder van geest.

Mannen van boven de 97 jaar zijn er in Nederland zo weinig dat ze niet zichtbaar zijn op de tabellen van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Oude vrouwen zijn er meer, vorig jaar in elk geval 3.000 van 99 jaar of ouder.

Eén op 5.500 Nederlanders is dus boven de 99 jaar, in Sluis is die verhouding één op de 1.500. De alleroudste Zeeuw is trouwens Hendrik Ringelberg uit Zierikzee (Schouwen-Duiveland) die 105 jaar is; een paar maanden geleden leefde hij in elk geval nog.

Dat de bevolking in Zeeuws-Vlaanderen zo vergrijst, komt doordat jongeren er wegtrekken, zegt het CBS. Maar dat er zo veel 100-plussers wonen? Dat komt door de frisse zeelucht, zegt de woordvoerder van de Gemeente Sluis die graag toeristen trekt. Het komt in elk geval níet door de nabijheid van het beste restaurant van Nederland: Oud Sluis. Daar rijden op deze zondagmiddag Belgische auto’s in file naartoe.

Het zou kunnen komen doordat er een paar sterke, kinderrijke geslachten in deze dunbevolkte streek wonen. De broer van Plasschaert leeft ook nog en die is 95 jaar. Hun vader kwam uit een gezin met negentien kinderen.

Drie maanden geleden lag Plasschaert nog op een operatietafel omdat hij zijn heup had gebroken. Niemand verwachtte dat hij die operatie zou overleven. Maar hij zit weer in zijn stoel. Hij heeft zelf wel een verklaring voor zijn onverwoestbaarheid: drie glazen rode Italiaanse wijn per dag.

Paul Croughs is geriater (ouderdomsarts) in Zeeuws-Vlaanderen. Hij heeft zich verdiept in de vraag waarom Zeeuwen relatief oud worden. „Het heeft te maken met een gezonde levensstijl. Zeker de huidige generatie ouderen in Zeeland heeft gezond geleefd: matig met eten en drank, veel buitenlucht en weinig vervuiling.” In de provincie Limburg, die ook vergrijst omdat jongeren er wegtrekken, worden de ouderen niet zo oud als in Zeeland. Croughs: „Dat komt door de bourgondische levensstijl van de Limburgers: meer vlees en meer drank.” Maar ook de lucht in de mijnen, waar veel oude Limburgers vroeger werkten, was slecht voor de gezondheid.

Het bewijs voor de dieettheorie lijkt te worden geleverd in Japan en Italië. Op het Japanse eiland Okinawa en op het Italiaanse Sardinië wonen uitzonderlijk veel 100-plussers. „Ze eten veel vis, fruit en groenten. Het dieet is dus heel gezond”, zegt Croughs. Ook de lucht op het platteland, of genoemde eilanden, is beter dan die in de stad. De levensverwachting is er gemiddeld hoger.

Hoe beter de sociaal-economische omstandigheden, hoe gezonder men leeft en hoe beter de gezondheidszorg. In heel de westerse wereld worden mensen gemiddeld steeds ouder. Croughs verwacht dat er in 2040 vier keer zo veel 99-plussers (en mogelijk dus 100-plussers) zullen zijn als nu.

Richard Plasschaert praat graag over vroeger. Wanneer hij het gelukkigst was? Hij wijst naar de zwart-wit trouwfoto aan de muur: „Toen zij er nog was. Ik zag haar zo graag.” Zijn vrouw is in 1994 overleden op haar tachtigste. 58 jaar waren ze getrouwd, en ze hadden volgens Plasschaert hooguit vijf keer ruzie. „Ze was dol op onze vier kinderen. Altijd mee bezig. Als ik ergens spijt van heb, is het misschien dat ik te weinig thuis was. Ik was voorzitter van de jongelingenvereniging, voorzitter van de handboogvereniging en van de voetbalclub. Ik was na het werk altijd aan het vergaderen. Zij vond dat nooit erg, hoor.”

Zijn ouders zagen haar niet zitten. Althans, niet in het begin. Plasschaert had haar ontmoet in het dorpscafé dat haar moeder uitbaatte. Liefde op het eerste gezicht. „Maar mijn ouders vonden een cafémeid te min. Ik niet. Afkomst maakte mij niets uit, al was ze Jodin geweest. Mijn ouders wilden een boerin met wie ik de boerderij kon voortzetten. Dat wilde ik helemaal niet. Veel te hard werken, en altijd zorgen.” Zijn ouders hadden een grote boerderij met 20 hectare grond. Die staat er overigens niet meer.

Ze hadden drie jaar verkering en toen zij 22 was en hij 26, trouwden ze. Pas toen het eerste kind werd geboren, een zoon, werden zijn ouders toeschietelijker.

Richard moest als kind drie jaar naar een katholieke kostschool in België om Frans te leren. Vreselijk vond hij het daar. Allemaal strenge broeders. Als hij één woord Nederlands sprak, kreeg hij straf. Hij ging zijn hele jeugd elke week naar de kerk maar hij heeft er niet veel meer mee. „Wat een onwetendheid in die tijd. We geloofden erin, hè. Maar ik zat niet graag in de kerk. Hoe korter de dienst, hoe beter.”

Na de hbs ging hij werken als inspecteur voor de Centrale Controle Dienst die viel onder het departement voor Landbouw en Visserij. Bij alle boeren in de wijde omgeving moest hij controleren of ze wel produceerden wat ze opgaven aan de overheid: zo veel schapen, zo veel melk, zo veel graan, enzovoorts. „Had met landbouwsubsidie te maken.” Eerst ging hij op de fiets, later op de motor en weer later met de auto. Hij kwam bij katholieke boeren en bij hervormden, bij arme en rijke. Aan de overkant van de Westerschelde kwam hij ook wel bij streng protestantse. „Ik kan met iedereen omgaan.”

Zijn geheugen laat hem in de steek, voor sommige periodes in zijn leven. Over de Duitse bezetters is hij kort: „Bars volk.” De boerderij van zijn ouders werd in 1944 verwoest door bommen, waarschijnlijk uit Britse vliegtuigen. De familie moest opnieuw beginnen.

Plasschaert herinnert zich ook de boerderijen die onder water stonden na de watersnoodramp in 1953. „Veehouders die al hun koeien en schapen kwijt waren. Vreselijk. Maar ze kregen er geld voor, hoor.” Hij werkte zijn hele leven voor het ministerie van Landbouw. 37 jaar geleden ging hij met pensioen.

Met zijn vrouw en vier kinderen woonde hij in een gehucht aan de rand van Sluis waar ook één danszaal was gevestigd. Daar ging hij op zaterdagen graag dansen met zijn vrouw. Zijn ogen schitteren. Eén kind woont nu nog in Zeeuws-Vlaanderen, één in Nijmegen, één in Italië en een dochter is overleden. Maar hij heeft een goed leven gehad, zegt hij. Hij zou vrijwel niets anders doen.

Deze maand verscheen in Zeeland het boek ‘Zeeuwlingen, Levensverhalen van Zeeuwse honderdplussers.’ Auteurs Jan Jansen en Peter Oggel. Uitgeverij Den Boer/De Ruiter, 160 pagina’s.

    • Frederiek Weeda