Zeer veredeld 'dozen schuiven'

De Nederlandsche Bank schetste deze week een somber beeld van de economie, ook voor volgend jaar. Scheidend hoogleraar Frank den Butter wijst ‘Nederland transactieland’ een uitweg uit de crisis.

Frank den Butter houdt wel van een beetje provoceren. Zo kwam hij een paar jaar geleden in aanvaring met toenmalig Philips-topman Gerard Kleisterlee. Dat was toen Den Butter tijdens een bijeenkomst van het Innovatieplatform Philips als een ‘handelsonderneming’ kwalificeerde. Bij Shell deed hij onlangs hetzelfde.

In zijn afscheidsrede vandaag als hoogleraar economie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam doet Den Butter een „oproep aan Nederland” zich duidelijker „als handelsland te profileren”. Dat biedt in de mondiale concurrentieslag de beste uitweg uit de crisis, zegt hij. Maar voor velen is dit vloeken in de kerk. Want handel is toch „dozen schuiven”?

Kern van Den Butters betoog draait om de transactiekosten in een economie. Dat zijn alle andere kosten dan de directe productiekosten. Door de transactiekosten zover mogelijk omlaag te brengen kan een land nieuwe activiteiten aantrekken, juist doordat de productieketens door mondialisering en digitalisering steeds verder worden opgeknipt. Er is hierdoor steeds meer handel in ‘taken’ in plaats van in ‘eindproducten’. Daar liggen dus kansen.

In 2003 vroeg Den Butter al aandacht voor deze ontwikkeling als hoofdauteur van het rapport ‘Nederland Handelsland’ van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR). Om zijn betoog te onderstrepen spreekt hij ook over „Nederland transactieland”.

De cijfers lijken Den Butter steeds meer gelijk te geven. Economen hebben voor verschillende landen de omvang van transactieactiviteiten onderzocht. In Nederland maken die ongeveer de helft van de economie uit. Voor bijvoorbeeld de Verenigde Staten geldt hetzelfde. En ‘maakland’ Duitsland gaat volgens Den Butter in die richting.

Meer dan een kwart van de Nederlandse werknemers is nu volledig in de transactiesector werkzaam. Den Butter verwijt economen dat zij te weinig onderzoek doen naar deze „alledaagse economische werkelijkheid” en zich opsluiten in specialismen om zo te scoren in internationale wetenschappelijke tijdschriften.

Bij transactiekosten gaat het om bijvoorbeeld kosten van transport, administratie, verzekeringen, douaneafhandeling, importheffingen. Dit zijn de ‘harde’ (goed zichtbare) kosten.

Maar er zijn ook ‘zachte’ (minder zichtbare) transactiekosten. Zo zullen transactiekosten oplopen als er in een land geen goed netwerk van betrouwbare handelspartners is, het ontbreekt aan goede juridische of octrooibescherming, er voor inhuren van personeel veel informatie- en inwerkkosten moeten worden gemaakt.

Overheid en bedrijfsleven kunnen veel doen om ‘harde’ en ‘zachte’ transactiekosten omlaag te brengen. Van faciliteiten voor snelle afhandeling in havens, digitalisering van douanecontroles en snelle ICT tot het opleiden van een gekwalificeerde beroepsbevolking met technische en koopmansvaardigheden.

Investeren in een goede leefomgeving met hoogwaardig cultuuraanbod brengt transactiekosten omlaag: dit leidt tot een beter vestigingsklimaat voor ondernemers en gekwalificeerde arbeid. Ook zoiets vaags als ‘goed omgaan met cultuurverschillen’ helpt. En waarom niet veel meer buitenlandse studenten aantrekken? Zo ontstaat straks een goed netwerk voor zakendoen met hun landen.

De Nederlandse uitvoer groeit alleen nog door stijgende wederuitvoer, vooral via Rotterdam. Dat is toch dozen schuiven; helpt dat Nederland?

„Je kunt wederuitvoer niet laten stijgen als je niet goed kunt invoeren. De wederuitvoer is gestegen tot ruim 50 procent van onze totale export. Er vindt in de hele wereld nog veel meer van wat ik noem ‘zeer veredeld dozen schuiven’ plaats.”

Waarom is dat ‘zeer veredeld’?

„Omdat je veel technische kennis nodig hebt. Je hebt ook veel kennis nodig van afzetmarkten en inkoopmarkten. Als je computers koopt in China die je wilt verkopen, moet je weten dat je goeie computers koopt en wat in de toekomst in Europa wordt gevraagd.”

Ook ‘zeer veredeld dozen schuiven’ levert toch weinig toegevoegde waarde?

„Dat is een volstrekte misvatting. Het gaat niet om toegevoegde waarde, maar om toegevoegde waarde per eenheid arbeid en kapitaal. Het is een misverstand dat het onvoldoende productief is, dat we er niet veel aan verdienen.”

Nederland kan toch niet functioneren zonder maakindustrie, want zonder dat is het ook geen ‘transactieland’?

„Dat is ook wat ik beweer. Maar de maakindustrie moet zich vooral richten op nieuwe dingen. Wij kunnen dingen blijven maken, maar dan dingen die we later elders laten maken.”

Wat is dan de toekomst van bedrijven als Philips, Unilever, DSM, ASML?

„Dat zijn wat ik noem ‘regiebedrijven’. Ik zeg niet dat je geen Nat Lab van Philips meer in Nederland moet hebben. Want daar leer je over de nieuwe technologische ontwikkelingen. ASML is een prachtig voorbeeld. Ze zijn goed in hun spullen verkopen. Hun chipmachines worden allemaal in Nederland gemaakt. Misschien dat het ook wel een keer ergens anders kan. Maar essentieel voor ASML is te weten wat voor chips er in de toekomst nodig zijn en hoe die chips in elkaar zitten. Zo heeft de hightechcampus in Eindhoven als functie nieuwe kennis te ontwikkelen en te zorgen dat de kennis in Nederland blijft. Mijn punt is hoe je die regie voert. Hoe ga je het moment bepalen waarop je elders gaat produceren, hoe ga je die transactiekosten afwegen tegen de lagere productiekosten?”

Dat betekent dat in ‘Nederland handelsland’ of ‘transactieland’ veel bèta’s nodig zijn?

„Natuurlijk heb je die bèta’s nodig, maar in Nederland moeten dat bèta’s zijn die ook wat meer weten; de ‘bèta-plus’ noem ik dat. Dat betekent dat je niet alleen technologische kennis hebt, maar ook weet waar en hoe je die kennis kunt inkopen, hoe je kunt verkopen. Aan de TU Delft beseffen ze dat inmiddels.”

Speelt de overheid in op eisen die ‘Nederland transactieland’ stelt?

„Economische Zaken heeft er met zijn topsectorenbeleid, met nadruk op onderzoek en ontwikkeling, geen aandacht voor. Bedrijfsectoren weten zelf wel waar ze hun kracht moeten vinden. De overheid zou beter samenwerking tussen sectoren kunnen stimuleren, dan creëer je positieve spillovers, waarbij bedrijven van elkaar leren. Daar ligt een taak voor de overheid, want dat doet de markt niet vanzelf. Neem bijvoorbeeld ICT’ers – die zitten overal. Of mensen in de creatieve industrie, die bijvoorbeeld actief zijn in de reclame. Dat zijn mensen die verbindingen maken.”

Het kabinetsplan voor de arbeidsmarkt, bezuinigen door soepeler ontslag en kortere WW; is dat goed voor Nederland als transactieland?

„Van belang is dat men goed weet welke competenties Nederland de komende twintig tot dertig jaar nodig heeft. In 2000 schreven we bij de WRR over de arbeidsmarkt. De boodschap van toen is nog waardevol: hou ouderen aan het werk, want als ze werkloos raken, krijgen ze veelal geen nieuwe baan. Bovendien zijn ouderen veel minder productief in nieuwe banen, omdat ze vaak specifieke, op het eigen bedrijf gerichte kennis hebben. Dus je moet ze aan het werk houden. Wat mij betreft schaf je de WW af. Maak dan wel individuele arbeidscontracten, waarbij je afspreekt hoe lang de opzegtermijn is, die flink moet afhangen van hoe lang men in dienst is. Een bedrijf dat echt kan aantonen in problemen te zitten, zou iemand tegen een lager loon in dienst mogen houden. Als het bedrijf er mede daardoor weer bovenop komt, is dat prima.”

Nederland dankt aan zijn status als handelsland ook een grote bankensector. Dat liep slecht af door de risico’s met al die financiële innovaties.

„Weet u hoe die banken vroeger heetten? Handelsbanken. Ik zeg dus: schoenmaker had je bij je leest gehouden. Ik heb dat ook bij de banken gezegd: met de handelsbanken zijn we sterk geworden. Ik zeg dan ook tegen ze: zorg dat jullie weer kennis opdoen van transactiekosten, doe weer kennis op over waar je in de wereld de ondernemers die jou financiering vragen kunt helpen om productief te zijn in leggen van handelscontacten. Dat was wat vroeger ABN deed. Je ziet dat banken op dat punt nu minder kennis van zaken hebben. Banken zouden toch moeten weten hoe je creatieve ideeën kan omzetten in een product en hoe dat in de markt gezet kan worden.”

De AmerikaanThomas Friedman schreef in 2005 The World Is Flat, een wereld plat door digitalisering en verlaging van transportkosten en handelstarieven. Hij impliceert dat het Westen de slag verliest van landen met lagere lonen als China en India. Haalt hij uw betoog onderuit?

„Zijn oneliner is de death of distance. Hij bedoelt dat afstanden wegvallen en transportkosten dalen. Maar ‘zachte’ transactiekosten worden daar niet minder. Dus als we ons specialiseren, en dat hebben we altijd gedaan, in het relatief omlaag brengen van die zachte transactiekosten, kunnen we profiteren van het feit dat handel nog steeds kostbaar is. Outsourcen is niet altijd rendabel. Bedrijven halen zelfs activiteiten terug. Dat komt omdat ze zachte transactiekosten niet goed hebben ingeschat. Als je in Aalsmeer bloemen veilt, is de transactie helemaal geregeld. In China hebben ze het ook geprobeerd, maar het is ze niet gelukt.”

Wordt de wereld ook niet minder plat doordat in opkomende landen directe productiekosten, zoals lonen, stijgen?

„Ja, en dat betekent dat je dus heel alert moet blijven waar je in de toekomst dingen kan laten maken.”