Tonio en Robin

Na het terechte succes van Tonio, zowel bij het publiek als de kritiek, zou het bijna iets demonstratiefs hebben gehad als de jury van de P.C. Hooftprijs A.F.Th. van der Heijden dit jaar gepasseerd had. „Sorry, wát jij ook doet, wij vinden je gewoon niet goed genoeg.”

De toekenning komt ook mij goed uit omdat ik nu de gelegenheid heb om over een belangrijke bijpersoon uit Tonio te schrijven: Robin van Persie. Mensen die Tonio niet gelezen hebben, zijn altijd verbaasd als ze horen dat Van Persie erin voorkomt. Het bijzondere is dat Van der Heijden een scherp beeld geeft van Van Persie als jongetje.

Op pagina 280 van Tonio introduceert Van der Heijden Van Persie als een zesjarig jongetje dat hij meemaakte op een zomervakantie in 1989 in het plaatsje Marsalès in de Dordogne. Van der Heijden vertelt dat hij zijn broer een eerste versie van zijn novelle Weerborstels heeft gestuurd. Daarin heeft hij de hoofdpersoon Robby al trekken van Van Persie meegegeven. „Een bepaalde schuwe brutaliteit... een verlegen onverschrokkenheid...”

Tegen het einde van Tonio keert Van Persie op een dramatische manier in het boek terug als Van der Heijden en zijn vrouw Mirjam de grachtentocht meemaken van het Nederlands elftal, tweede geworden bij het WK in Zuid-Afrika. Het echtpaar, nog steeds diep in de rouw, had een uitnodiging van vrienden aanvaard.

Het was de eerste keer dat ze ‘de gietijzeren band’ van de rouw verbraken, maar ze deden het vooral om onbespied de plaats te bezoeken waar hun zoon op Eerste Pinksterdag 2010 was verongelukt. „Onder de dekmantel van een dubieus feest. Verborgen in de vals juichende massa.” Misschien had de schrijver in Van der Heijden toen al onbewust besloten dat er voor Van Persie een belangrijke rol aan het slot van zijn roman was weggelegd.

Ze zien hoe Van Persie op het dek wordt geïnterviewd. „Ik wees Mirjam erop, die bedroefd knikte. Zonder erover te hoeven praten, zagen we nu allebei de zesjarige Robin voor ons, zoals hij geleund tegen de muur van ons schoolhuis in Marsalès stuurs had staan toekijken hoe zijn beide zusjes de eenjarige Tonio leerden lopen.”

Stuurs! Dat is nog altijd hét woord om gedrag en gelaat van Van Persie te omschrijven, vooral buiten het veld.

’s Avonds, als ze naar de tv-opnamen kijken, zien ze de grachtentocht nog eens. Dan zegt Van der Heijden: „Kijk, zie je, nu schampen hun geschiedenissen langs elkaar. In die bocht daar.”

Die bocht was waar de Singelgracht een draai naar links maakte, richting Rijksmuseum, bij het kruispunt Hobbemastraat/ Stadhouderskade. „Ik wees Mirjam de plaats. ‘Daar ongeveer.’ Hier was hij uit het leven geslagen.” De uitzinnigheid van de feestende massa contrasteert schrijnend met het verdriet van het echtpaar.

Later blikt Van der Heijden nog even terug op die vakantie in Marsalès. Hij herinnert zich hoe Robin plotseling verdwenen is en een bloedende wond oploopt. „Robin natuurlijk weer”, zegt zijn moeder. Van der Heijden geeft ons dit laatste beeld van de jonge Van Persie: „Robin hield zijn gewonde arm gestrekt van zich af, een beetje neerwaarts, zodat het stroompje bloed, dat in de buurt van zijn oksel of schouder ontsproot, zich in de richting van de pols wond. Hij keek net zo stuurs als die ochtend op ons erf, maar huilde niet.”

Van Persie is in Tonio de personificatie van het grillige lot. Hij, de roekeloze, mocht wél blijven leven.