Japan wil van zijn crisisgevoel af

Veel Japanners vinden de verkiezingen van zondag de belangrijkste in jaren. Ze zijn wanhopig dat juist politici achterlopen bij de modernisering van Japan.

Zondag kiest Japan een nieuw Lagerhuis, in een periode van grote verwarring. Wanneer een nieuwe premier aantreedt, wordt dat de zevende in zes jaar. De politiek is een stoelendans geworden. Kiezers klagen. De driedubbele ramp van vorig jaar – aardbeving, tsunami en de noodsituatie bij de kerncentrale van Fukushima – heeft een crisisgevoel opgeroepen. Veel Japanners menen dat dit de belangrijkste verkiezingen worden in decennia. „Dit maal kijk ik naar het beleid van de partij”, zegt een tandartsassistente van in de dertig. „Voorheen koos ik de persoon die mij het meest aanstond.”

Voor Japan is dat iets nieuws. De regerende Democratische Partij van Japan (DPJ) was een van de eerste partijen die met gedetailleerde beleidsvoorstellen kwam. Japanse media berichten meer over machtsverhoudingen tussen partijen en politici dan over hun beleidsverschillen. Daar begint nu een kentering in te komen.

Maar de DPJ zelf heeft de verwachtingen sinds haar zege in 2009 niet waargemaakt. De Liberaal-Democratische Partij (LDP), die na 1945 meer dan een halve eeuw vrijwel onafgebroken regeerde, scoort nu hoger in de opiniepeilingen.

Gezien vanuit het buitenland lijkt Japan een hopeloos geval, een land in de greep van economische en politieke stagnatie. Wat een verschil met de jaren tachtig. Harvard-hoogleraar Ezra Vogel had net zijn boek Japan as Number One geschreven. Het werd het meest verkochte non-fictieboek over Japan. Japan leek het Westen voorbij te streven en werd gezien als een enorme bedreiging. In de VS en Europa waren handelssancties tegen Japan aan de orde van de dag.

De balans sloeg door naar de andere kant toen de Japanse zeepbeleconomie in 1990 uiteenspatte. De laatste twintig jaar worden vaak omschreven als de ‘verloren decennia’. Het kost moeite positief gestemde rapporten te vinden over het land. Japan ligt verfrommeld in de prullenbak. De schijnwerpers staan op China. „Als ik in het buitenland een lezing geef is er een verontrustend gebrek aan interesse in Japan”, schrijft Bloomberg-columnist William Pesek. „Het publiek is aandachtig als het over China, India of Thailand gaat. Noem Japan, en de BlackBerry’s verschijnen.”

Michael Woodford, voormalig topman van de Japanse gigant Olympus, zei vorige maand tegen de BBC: „Japan slaapwandelt de vergetelheid in.” De Brit kwam vorig jaar in het nieuws toen hij een half jaar na zijn aanstelling werd ontslagen. Hij had binnen het bedrijf vragen gesteld na mediaberichten dat het technologieconcern schuldig was aan boekhoudkundige fraude voor een bedrag van 1,3 miljard euro. Drie ex-bestuurders van Olympus zijn gearresteerd.

Veel buitenlandse commentatoren zien het schandaal als symptomatisch voor een Japanse malaise. De politiek en de economie van Japan zijn verrot, menen ze.

Inderdaad lijkt Japan nauwelijks te profiteren van de lang voorspelde eeuw van Azië. Het is geografisch en diplomatiek geïsoleerd. Het heeft scherpe territoriale geschillen en historische spanningen met alle buurlanden. Het geschil over vijf piepkleine eilandjes in de Oost-Chinese Zee deze zomer bracht de verhouding met China tot het kookpunt. De snelle opkomst van China, waar het anti-Japanse gevoel een belangrijk deel is van de nationale identiteit, schept militaire, strategische en economische problemen waarvoor Japan geen eenvoudige oplossingen heeft.

Een ander groot probleem is de demografische tijdbom. Het land heeft de hoogste levensverwachting ter wereld. Maar Japanners krijgen onvoldoende kinderen om voor al die ouderen te zorgen. Zo weinig zelfs dat de bevolking sinds 2008 aan het krimpen is. Het is het snelst vergrijzende land ter wereld. De overheid schat dat de bevolking van 128 miljoen tegen 2060 met 30 procent geslonken is. Mensen van 65 jaar en ouder maken dan 40 procent van de bevolking uit. Bijna een verdubbeling van de huidige 23 procent.

Mizuho Research Institute, dat economisch onderzoek uitvoert, schat dat tegen 2025 zo’n 70 procent van Japanse overheidsuitgaven opgaat aan de afbetaling van schulden en uitgaven voor sociale zekerheid. En wie zorgt er voor al die oudjes en betaalt de belastingen? Experts pleiten voor immigratie, maar voor veel Japanse politici en kiezers is dat vooralsnog onaanvaardbaar. Bovendien wil 80 procent van de bevolking na ‘Fukushima’ dat kernenergie wordt afgeschaft, maar veel grote bedrijven zijn daar fel tegen. De hogere elektriciteitstarieven zouden ze niet overleven, zeggen ze. Samen met de elektriciteitsbedrijven, die bang zijn hun enorme investeringen in kernenergie te verliezen, zetten zij de overheid fors onder druk.

De staatsschuld bedraagt 200 procent van het bruto binnenlands product, zelfs hoger dan die van Griekenland. De Japanse yen staat al meer dan vier jaar op een historisch hoog niveau, terwijl de economie sinds de jaren negentig in de wurggreep verkeert van deflatie. Bedrijven zoals Sony, Panasonic en Sharp, eens de vaandeldragers van Japan Inc, lijken dood te bloeden door reusachtige verliezen. In het buitenland heeft ‘Fukushima’ het imago van Japan als een technologisch geavanceerd en goed georganiseerd land aangetast.

In werkelijkheid ondergaat Japan een stille transformatie. In het bedrijfsleven is al veel veranderd. Zo werd een aantal schakels zo drastisch uit het inefficiënte distributiesysteem gesneden dat de meeste brillenzaken nu rechtstreeks verbonden zijn met de fabriek. In Tokio, één van de duurste steden ter wereld, koop je nu een fantastisch mooi ontworpen bril met glazen voor maar 50 euro. Dit is geen kwestie van deflatie, maar herstructurering. De greep van de banken op de economie is verslapt en het aandeel van buitenlandse investeerders gegroeid. Dat bevordert de transparantie en flexibiliteit.

Opmerkelijk is dat Japan ondanks lage winstmarges en de wereldwijde recessie blijft investeren in de toekomst. Meer dan 21 procent van internationale octrooiaanvragen in 2011 kwamen uit Japan, twee keer zoveel als uit China. Na twintig jaar economische tegenwind heeft Japan nog altijd de op twee na grootste economie ter wereld en is het bruto nationaal product per hoofd van de bevolking vergelijkbaar met veel westerse landen. De werkloosheid staat op 4 procent, lager dan in de VS (7,7) en Nederland (5,3).

Hervormingen zijn er ook in het onderwijs en het rechtsysteem. Maar de politiek en het landsbestuur blijven achter. Politici hebben altijd relatief weinig invloed gehad in Japan, maar ook het eens zo effectieve bureaucratische systeem is vastgelopen. Alles loopt centraal, via Tokio.

In zekere zin is dit de reden voor de politieke verwarring. Men loopt steeds tegen dezelfde muur aan en weet de oplossingen nog niet te vinden. Japanners hopen dat de verkiezingen tot hervormingen leiden, maar ze kunnen ook uit frustratie vooral meer nationalistisch populisme brengen. „Voor veel van onze lastigste problemen heeft een ontwikkeld land nog nooit gestaan”, zegt Masamitsu Sakurai, voorzitter van de Japanse bedrijfsorganisatie Keizai Doyukai. „Japan moet zich realiseren dat het voor een uitdaging staat die gelijk is aan, of zelfs ernstiger, dan de crises van de Meiji Restauratie [die in de 19de eeuw een moderniseringsgolf inluidde, red.] en de naoorlogse wederopbouw.”

    • Kjeld Duits