Het oordeel van de consul

Recentelijk kantelde het leven van Rascha Peper 180 graden door slecht nieuws. Wegens haar ziekte verkopen zij en haar man hun huis in Spanje.

Plotseling krijgt mijn man een redelijk bod op ons huis in het Zuid-Spaanse dorp. Met pijn in het hart – want hij houdt van dat huis – besluit hij erop in te gaan. Nu ik er niet meer naartoe kan, is voor hem de lol van dat huis ook af. Dus er zal verkocht worden. Maar ho ho, zo makkelijk gaat dat nu ook weer niet. De Spaanse autoriteiten doen er alles aan om het buitenlandse kopers en verkopers van onroerend goed flink ingewikkeld te maken, en hij raakt verzeild in een papierwinkel aan formaliteiten waarover ik hier gelukkig niet hoef uit te weiden.

Ik ben mede-eigenaar van het huis en dien derhalve ook aan te treden bij de Spaanse notaris die de zaak zal beklinken. Helaas, dat gaat niet, want ik kan niet reizen. In zulke situaties blijkt dit deel van de transactie ook afgehandeld te kunnen worden bij het Spaanse consulaat in Amsterdam. Zo wordt een taxiritje naar dat consulaat een van mijn zeldzame uitstapjes van de laatste maanden. Ze gaan ’s ochtends pas om tien uur open, maar omdat de wachtkamer vanaf die tijd stampvol zit, is in mijn geval een uitzondering gemaakt. Wij mogen om half tien komen.

Weliswaar gevestigd in een vrij statig pand, ademt het interieur van het consulaat de geest van de huidige Spaanse economie: een kaalheid die je eufemistisch soberheid zou kunnen noemen. Het doorgezakte bankstel in de wachtkamer zou in een studentenhuis niet misstaan. We worden ontvangen door een opgewekte, perfect Nederlands sprekende jonge vrouw in spijkerbroek en T-shirt die voor mij de in het Spaans gestelde documenten vertaalt, waarin ik alle bevoegdheden om het huis te verkopen overdraag aan mijn man. Begrijp ik het allemaal, wil ze na iedere alinea weten. Jazeker, alles klopt en ik begrijp het geheel. We mogen terug naar de wachtkamer. Verschillende keren vliegt ze met mijn paspoort en een kopie van de documenten met drie treden tegelijk de trap naar boven op, totdat ze me komt ophalen om mee te gaan naar de consul zelf. Nee, mijn man moet in de wachtkamer blijven. Het gaat er namelijk om dat de consul zich persoonlijk een oordeel kan vormen omtrent mijn handelingsbekwaamheid.

We stappen – de assistente met nauwelijks bedwingbare renbenen – in een klein liftje dat naar de eerste verdieping voert, waar zij op een deur aan de voorkant klopt. Na misschien wel een volle minuut klinkt een plechtig entra en de assistente opent de deur. Achter een groot bureau in beslist de mooiste kamer van het pand verrijst een ouderwets type Spaanse aristocraat, broodmager, elegant gekleed in onberispelijk licht tenue de ville, die me een stoel voor het bureau wijst. Ik voel me op slag underdressed in mijn sportieve ijstrui. De assistente posteert zich kaarsrecht naast het bureau.

Spreek ik Engels, wil de consul-generaal weten. Certainly, I do, I do, antwoord ik ijverig. Hij begint nu het document in het Engels door te nemen. Ben ik deze persoon? En ben ik met die persoon getrouwd? Is dit het adres van het huis? Tussendoor zijn zijn peilende ogen onophoudelijk op me gericht. Hij neemt zijn taak serieus. Voor het laatst heb ik me zo bekeken gevoeld toen ik bij professor Stuiveling een mondeling examen over Bredero moest afleggen. Een mensenleven geleden.

En klopt het dat het huis ook nog een ondergrondse verdieping heeft? Hier struikelt hij over het Engelse woord.

„Yes, a garage!” roep ik, verheugd om te kunnen laten zien hoezeer ik bij de tijd ben.

„A basement”, zegt de assistente.

„A basement”, zegt de consul.

„A basement”, herhaal ik.

Op alle bladzijden van het document moet ik nu mijn handtekening zetten, wat ik met zoveel mogelijk zwier doe. Daarna tekent de consul zelf. Dit document mag ik zodadelijk aan mijn echtgenoot overhandigen, deelt hij mee. Ik wil het al aanpakken, maar hij geeft het niet aan mij, maar aan de assistente. Ik krijg een handdruk en word door de assistente de deur uitgeloodst.

Ik ben geslaagd.

    • Rascha Peper