'Eindelijk zijn we weer roekeloos'

Paolo en Vittorio Taviani maakten een film met zware criminelen. „We moesten wel heel duidelijk maken dat wij de baas zijn.”

‘Al onze films zijn het resultaat van onze eigen, vaak toevallige ervaringen”, zegt Paolo Taviani (81). Zo was het al ten tijde van de eerste grote film van de Italiaanse broers Paolo en Vittorio Taviani, thans respectievelijk 81 en 83 oud. Padre padrone, uit 1977, was gebaseerd op hun ontmoeting met een Sardijnse herderszoon die het tot taalkundige bracht. En zo is het weer bij hun jongste, eind vorig jaar voltooide film, Ceasar Must Die.

Daarin spelen langgestraften uit de Rebibbia-gevangenis bij Rome voor de camera een versie van William Shakespeares tragedie Julius Caesar. Het resultaat, meent Vittorio, „is een drievoudige tragedie: die van Julius Caesar uit het stuk, de tragedie van de gevangenen die de rollen spelen en de tragedie van zo’n instelling met muren”.„In geen geval”, vult Paolo aan, „hadden we de intentie een soort documentaire over de gevangenis te maken. Onze films gaan over onze eigen emoties bij wat we meemaken.”

We spreken in Gent rond lunchtijd de twee nestoren van de Europese cinema, die voor Ceasar Must Die vorig jaar op het festival van Berlijn de Gouden Beer wonnen. Eigenlijk vinden de twee het hoog tijd voor het middagmaal – Paolo opteert voor vis, Vittorio voor vlees. Maar nog even praten over hun laatste film kan er nog wel af, want die bevalt hun zelf enorm. „We hebben met deze film de roekeloosheid van onze vroege films hervonden”, meent Vittorio, die geen moment afscheid neemt van de pet waarmee hij te zien is op alle foto’s die van hem bestaan.

Ze waren op een middag door een vriendin meegenomen naar het theater binnen de Rebibbia-gevangenis, waar de langgestraften, bij wijze van therapie, voor kleine kring af en toe voorstellingen geven onder leiding van een professionele regisseur, Fabio Cavalli. Op het programma stonden teksten uit Dantes Goddelijke komedie, met name de zangen waarin de onmogelijke liefde tussen Paolo en Francesca wordt beschreven. „Een van de acteurs las voor in het dialect van zijn streek en wendde zich af en toe direct tot het publiek. Toen we weer buiten stonden, wisten Vittorio en ik: met deze mannen willen we een film maken.”

Ceasar Must Die laat, in quasidocumentaire beelden, zien hoe de broers te werk zijn gegaan: de audities waarbij de kandidaten voor de rol zichzelf in het dialect van hun streek voorstellen, de manier waarop de gangen, binnenplaatsen en kleine vijfmanscellen als decor voor de handeling fungeren.

Waarom juist Julius Caesar? Paolo: „Omdat die tragedie een bekend verhaal is, dat speelt in Rome.” En natuurlijk omdat er op een bizarre manier een correlatie is tussen de in het stuk beschreven moord – waarbij eergevoel, intrige en verraad om voorrang strijden – en de wereld van deze gevangenen, veelal leden van criminele netwerken als de maffia, de camorra en de ’ndrangheta. Als Marcus Antonius bij Shakespeare de moordenaars van Caesar beschrijft als ‘achtenswaardige mannen’, dan dringt zich onmiddellijk de associatie op met het begrip ‘mannen van eer’ – oftewel de erecode waarbinnen de acteurs de moorden hebben gepleegd waarvoor zij veroordeeld zijn.

In de film valt overigens zwaar de nadruk op de figuur van Brutus, de vriend van Caesar die voor zijn deelname aan de verraderlijke moord zwaar wordt gestraft. Brutus is de enige rol die door een professionele acteur gespeeld wordt: Salvatore Striano – bekend uit de film Gomorra – die in 2006 een straf van bijna zeven jaar in de Rebibbia-gevangenis beëindigd heeft.

Wat de film niet laat zien, is welke moeilijkheden de beide regisseurs bij hun casting ondervonden. „Cavalli had voor ons een voorselectie gemaakt voor de audities. Maar toen we de diverse rollen gingen bezetten, ontstonden er problemen”, vertelt Vittorio. „Onder de gevangenen bestaat een interne hiërarchie en al vlug bleek er een leider te zijn die ons meedeelde dat sommige van onze keuzes niet konden en ons om zijn gezag te onderstrepen vertelde hoe hij ‘drie kinderen wees had gemaakt’.

„Paolo en ik hebben toen besloten dat we daarin niet konden meegaan. Bij een film is de regisseur de baas, niet de acteurs. We zijn weggegaan en hebben gezegd dat als ze toch verder wilden, ze dat maar moesten laten weten. Vijf weken later kregen we een seintje dat ze eruit waren: toen we binnenkwamen werden we door de acteurs met applaus begroet. Het was geregeld. We hebben toen gevraagd wat ze van mening had doen veranderen. ‘Omdat we ons realiseerden dat u ons recht in de ogen hebt gekeken’, luidde hun antwoord.”

Op één punt wijken de Taviani’s sterk af van Shakespeares tekst: de vrouwenrollen zijn uit het stuk gezeefd. Dat is niet omdat de gevangenen niet bereid zouden zijn geweest om vrouwen te spelen, zegt Paolo: „In Shakespeares tijd was het heel gewoon dat mannen de vrouwenrollen speelden. Maar dit is film, geen theater. Cinema berust op echtheid en intimiteit. Mannen vrouwenrollen laten spelen zou een grotesk effect hebben opgeleverd.”

Wat vonden de acteurs toen ze het eindresultaat zagen? Vittorio: „Ze waren blij en tevreden, en sommigen hadden het gevoel dat ze door de film een beetje konden ontsnappen aan de werkelijkheid van de gevangenis. Maar het tegenovergestelde gevoel kwam ook voor. Zoals een van de acteurs in de film zegt: ‘Nu mijn geest met iets bezig is, voel ik pas wat het betekent om opgesloten te zijn’.”