De bekentenis van Jasper S. geeft juist goodwill

De deken der advocaten was niet blij met het tv-optreden van de raadsman van Jasper S. (zaak Vaatstra). Maar de advocaat heeft juist slim gehandeld, meent Richard van der Weide.

Tijdens een bijzondere zitting ter gelegenheid van de installatie van rechters en officieren van justitie op 6 december plaatste de lokale deken van de Orde van Advocaten kritische kanttekeningen bij het optreden van de raadsman van Jasper S. , mr. Jan Vlug, daags ervoor op televisie.

In Nieuwsuur had Vlug onder meer verteld dat zijn cliënt vrijwel direct na zijn aanhouding tegenover zijn advocaat had bekend. Ook gaf de advocaat details prijs over de manier waarop S. tot zijn daad was gekomen.

Dat was, aldus de deken, bepaald niet handig en zelfs schadelijk voor de cliënt, die ervan uit mag gaan dat hetgeen hij met zijn advocaat bespreekt niet op straat komt te liggen. Vertrouwelijkheid is een groot goed in de relatie tussen cliënt en advocaat, en één van de kernwaarden van de rechtsstaat.

Gelet op het prille stadium van de zaak, de onschuldpresumptie en de zogeheten „beperkingen” waren de uitlatingen van Vlug op z’n minst voorbarig en mogelijk zeer schadelijk voor S., aldus de deken. Want wat als later bijvoorbeeld zou blijken dat er gebreken kleefden aan het DNA-resultaat, de bekentenis bij nader inzien zou mankeren, of er anderszins een cruciale fout zou zijn gemaakt, waardoor de officier van justitie normaal gesproken het recht op vervolging zou verliezen? Dan zou S. door toedoen van zijn eigen advocaat, die immers reeds uit de school had geklapt op televisie, alsnog zijn veroordeeld.

Ook ik heb aanvankelijk mijn wenkbrauwen gefronst bij de openhartigheid van confrère Vlug. Als strafpleiters zijn wij geneigd vanuit een reflex op de rem te trappen wanneer een cliënt wil bekennen, wetende hoezeer de rechter daaraan hecht. De bekentenis is in de literatuur niet voor niets de ‘Koningin van het bewijs’ genoemd. Een bekentenis is een garantie voor een veroordeling.

Bij nadere beschouwing meen ik echter dat het optreden van de advocaat intelligent is. De kans dat er met het DNA iets mis is, lijkt nihil. In een zaak van deze omvang worden de beschikbare sporen grondig vergeleken en bestudeerd. Bij een match met een verdachte zal deze een plausibele verklaring moeten hebben voor de aanwezigheid van zijn DNA op de plaats delict, bij gebreke waarvan de rechter daarmee rekening kan en zal houden.

Theoretisch is het zo, dat alleen het DNA onvoldoende is voor een veroordeling. De praktijk wijst echter uit dat steunbewijs, hoe gering ook, snel gevonden is. Een enkele bewust onjuiste verklaring door S. kan reeds als ‘kennelijk leugenachtig’ voor het bewijs worden gebruikt, waarna de rechter tot een veroordeling kan komen. Met een klein voorbehoud durf ik de stelling wel aan dat de zaak Vaatstra ‘rond’ is. Vlug heeft dat ingezien.

Door nu al het standpunt van zijn cliënt te verwoorden, zal de verontwaardiging over de daad van S. overwaaien. De zaak kan op korte termijn worden afgedaan. Bij een authentieke spijtbetuiging na een uitgebreide verklaring in de rechtbank zal S. een gevangenisstraf van maximaal 10 jaar tegemoet kunnen zien. Hij heeft een nagenoeg blanco strafblad.

Ondanks het zwijgen van S. en de onzekerheid die dit meebracht voor de nabestaanden, zal hem deze houding niet zwaar worden aangerekend. Hij heeft zijn gezin willen beschermen tegen de gevolgen van zijn impulsieve daad. S. is een hardwerkende boer die eenmalig een bizar misdrijf heeft gepleegd. Al deze omstandigheden wegen mee in de strafmaat. Tegen deze achtergrond heeft de advocaat zijn naam eer aangedaan en slim geschaakt.

Richard van der Weide is advocaat te Amsterdam.