Waar leren wij nog denken?

Wat heb je aan een studie filosofie aan

de universiteit? Pepijn Vloemans hoopte op antwoord op levensvragen. Maar hij is teleurgesteld afgestudeerd.

Illustratie Robin Héman

Op mijn zestiende werd ik in de schoolbibliotheek geconfronteerd met een boek van Friedrich Nietzsche. Ik weet niet meer welk boek het betrof, maar het maakte indruk. Ook al begreep ik er niet veel van, ik was het op voorhand eens met alles wat hij beweerde: jezelf op de proef stellen en je eigen weg kiezen en naar niemand luisteren. De anti-autoritaire aanbevelingen nam ik graag ter harte. Het waren onweerstaanbare aanbevelingen voor een zestienjarige. Omdat ik meer van dergelijke aanbevelingen wenste, besloot ik filosofie te gaan studeren.

Iemand die filosofie gaat studeren wordt vroeg of laat geconfronteerd met de vraag ‘wat je er aan hebt’. Een legitieme, maar lastige vraag voor de hedendaagse student. Voor leerlingen van klassieke filosofen als Socrates en Seneca was het antwoord nog vanzelfsprekend: filosofie brengt twijfel bij en leert hoe we moeten leven. Van Socrates is bekend dat hij prominente Atheense burgers ondervroeg tot ze zich verstrikten in hun eigen antwoorden. „Ik weet dat ik niets weet”, is een van zijn beroemdste leuzen. Die bescheidenheid wilde hij zijn stadsgenoten ook bijbrengen. Dat hoefde overigens geen saaie exercitie te zijn, integendeel. In Symposium beschrijft Plato hoe Socrates met zijn gewiekste redeneringen en strikvragen de show steelt op een avond van discussiëren over de liefde. Socratisch filosoferen is informeel, lichtvoetig en altijd gericht op de praktijk. Het is filosofie van de straat die zich ver houdt van voetnoten.

Socrates was een einzelgänger, maar andere klassieke filosofen gingen socialer te werk. Epicurus, de popularisator van het – vaak verkeerd begrepen – woord ‘hedonisme’ stichtte een filosofische commune die gericht was op het intelligent cultiveren van genot. Zijn overtuiging was dat vriendschap, goede gesprekken, matig eten en drinken én niet overspannen een carrière nastreven het levensgeluk bevorderden. Al pratend en drinkend in zijn ‘tuin’ bracht Epicurus deze visie op het goede leven in de praktijk. Ook van Aristoteles weten we dat hij een ‘lyceum’ stichtte. Niet hedonisme, maar politieke wijsheid en persoonlijke deugd stonden bij hem centraal. Voor Aristoteles figureerden vriendschap en sociale omgang eveneens prominent in zijn opvatting over het goede leven. Alleen door de juiste handeling te herhalen kunnen we een goede vriend en een goede burger worden. Aristoteles formuleerde daarmee een concreet antwoord op de vraag: hoe moet ik leven?

Studeren is absorberen

Terug naar het heden. Eerst studeerde ik filosofie aan de Katholieke Universiteit Leuven en later aan de Universiteit van Amsterdam. Ik zocht naar een herhaling van wat ik bij Nietzsche aantrof en ik zocht mensen met wie ik daarover kon spreken. Hoewel de verschillen tussen beide kennisinstituten groot waren – in Leuven luisterden de studenten gedwee naar de woorden van de professor, in Amsterdam luisterde men het liefst naar zichzelf – hadden ze gemeen dat filosoferen er een kwestie was van cerebrale kennis. Filosofie studeren aan de universiteit, leerde ik gaandeweg en tot mijn spijt, betekent het absorberen van wat andere filosofen schreven, of wat kleine filosoofjes vonden van grote alpha-filosofen. De student die de meeste kennis absorbeert en reproduceert, wint het spelletje. De colleges gingen echter nooit over datgene waarover ik wilde dat ze gingen – de vraag wat ik in godsnaam met mijn leven moest doen. Het waren eerder trucjes die ik leerde. Filosofie aan de universiteit bleek bloedeloos, individualistisch en onpraktisch. Ik was teleurgesteld. En de vraag ‘wat ik er aan heb’ kon ik na het behalen van mijn bachelor nog steeds niet zonder omhaal van woorden beantwoorden.

Hoe kan de huidige academische filosofie zo ver zijn afgedwaald van haar klassieke oorsprong? Een verklaring is de opkomst van de succesvolle natuurwetenschappen en het ideaal van onderzoek gedurende de 19de eeuw. Onder druk van de succesvolle harde wetenschappen begon filosofie zich te modelleren naar eenzelfde harde opvatting van vooruitgang: publiceren in peer-reviewed en prestigieuze Britse vakbladen. Volgens dit ideaal van vooruitgang is een goede professor filosofie een professor die een opzienbarende voetnoot schrijft bij Heideggers Zijn en Tijd in plaats van (niet in cijfers te vatten) aandacht te geven aan een leerling. Ondanks filosofen als Bertrand Russell, die ten gevolge van de Tweede Wereldoorlog tot de (Socrates echoënde) conclusie kwam dat filosofie de taak had álle burgers voor zichzelf te laten denken, is het onderzoeksideaal bij de filosofie nog altijd in leven. De door belastinggeld betaalde professoren wenden hun kostbare tijd en energie aan om onleesbare teksten voor vakgenoten te pennen. Onopgemerkt voor het grote publiek worden piepkleine vetes uitgevochten waarvan de relevantie voor de wetenschap of het leven van mensen ver te zoeken is. De filosofische publicatiedruk eindigt in geannoteerd gefröbel in plaats van toegankelijke krantenstukken of diepgaande persoonlijke gesprekken met studenten. Lesgeven aan studenten komt op de tweede plaats en vakken die relevant zijn voor het leven worden zelden gegeven.

Toch is de klassieke filosofie niet verdwenen. Zij leeft voort buiten academische kringen. Sterker nog: er is sprake van een filosofische renaissance. Filosofie Magazine (twintig jaar gelden opgericht als tegenwicht voor zweverige new age), het filosofisch kwintet, de maand van de filosofie, het keuzevak filosofie op de middelbare school, de aantrekkelijke mediafilosofie van Rob Wijnberg in nrc.next: in Nederland groeit de populariteit van de filosofie de afgelopen twee decennia. Ook internationaal is er door internet een democratisering van ideeën gaande: van de populaire TEDx-filmpjes tot de veelbekeken onlinecolleges over moraliteit van Michael Sandel. Allemaal zonder voetnoten en zonder belastinggeld. Filosofie van de straat, niet van de staat.

Filosofie heeft nut: het kan antwoorden formuleren op prangende vragen waar we mee worstelen en die ons kritisch leren denken. De vraag naar deze antwoorden zal in een steeds minder gelovige maatschappij alleen maar groeien. Moeten alle menswetenschappen op universiteiten zich daarom niet afvragen hoe ze zichzelf relevant maken voor de studenten die zoals ik de collegezalen binnenkomen met de vraag ‘hoe te leven?’ Het wordt tijd dat de academische filosofie zichzelf deze vragen gaat stellen. Zodat een promovendus de volgende keer op deze pagina schrijft. Filosofie is te belangrijk om aan amateurs zoals ik over te laten.

Pepijn Vloemans (1984) is medewerker bij Bureau de Helling, het wetenschappelijk bureau van GroenLinks.