Vertraagd door de zandstorm

Met vederlichte sensoren volgen onderzoekers de trek van kleine vogels, voor het eerst. Ze zien hoe de vogeltjes kampen met droogte en stormen.

Het was al 7 mei. Vogelkenner Raymond Klaassen zat op een observatiepost in Vittskövle, een dorpje in Zuid-Zweden. Hij begon zich zorgen te maken. Normaal zou de eerste grauwe klauwier al lang moeten zijn teruggekeerd uit Afrika, waar de vogels overwinteren. In de regel melden de eerste exemplaren zich eind april in Noord-Europa. Maar in Vittskövle was er begin mei 2011 nog steeds geen grauwe klauwier te zien. Wat was er aan de hand, vroeg de Groningse ecoloog zich af. Was er onderweg iets gebeurd?

Het zou een geheim gebleven zijn, ware het niet dat het sinds kort mogelijk is kleine vogels te volgen tijdens hun trek. Dat gebeurt met zogeheten geologgers, apparaatjes die bijna niks wegen (ongeveer een gram) en elke minuut het zonlicht meten. Op basis van zonsopgang en zonsondergang is de daglengte te bepalen, en daarmee de breedtegraad. Het moment dat het middag en middernacht is, verraadt de lengtegraad. En zo is de locatie, op 50 tot 200 kilometer nauwkeurig, te bepalen.

Klaassen wist zo antwoord te krijgen op de vraag die hem vorig jaar mei zo dwars zat. Samen met Deense ecologen publiceerde hij vorige week in Science over het onderzoek, dat zich uitspreidde over de jaren 2009 tot 2012. In die jaren rustten de onderzoekers in totaal 151 grauwe klauwieren uit met een geologger, en ook 44 noordse nachtegalen.

Daarvan werden 26 grauwe klauwieren in het daaropvolgende jaar weer gevangen, en 10 noordse nachtegalen. Veel vogels met een geologger worden nooit teruggezien. Ze sterven nogal eens onderweg. En als ze al aankomen, moet de onderzoeker geluk hebben om ze te vangen: geologgers hebben geen zender.

Wat bleek? Tijdens hun trek vanuit Zuid-Afrika stoppen deze vogelsoorten in de Hoorn van Afrika om zich te voeden met insecten. Normaal rusten grauwe klauwieren gemiddeld 9 dagen, noordse nachtegalen 21 dagen. Maar vorig jaar werd dat gebied getroffen door extreme droogte. Er was minder plantengroei, en daardoor waren er minder insecten. Om voldoende te kunnen eten, maakten de vogels een langere tussenstop. Die duurde voor grauwe klauwieren nu gemiddeld 18 dagen, voor noordse nachtegalen 29 dagen. De reis naar Noord-Europa werd dus met 8 tot 9 dagen vertraagd.

Klaassen zegt dat het gebruik van geologgers zorgt voor een explosie aan nieuwe gegevens over kleine trekvogels. Grotere trekvogels, zoals ganzen, kiekendieven en adelaars, konden al gevolgd worden via bijvoorbeeld gps-zenders, maar die zijn voor kleine vogels veel te zwaar. „En tachtig procent van alle trekvogels zijn kleine zangvogels”, zegt hij. „Ook die kunnen we nu volgen.”

Zo was het van de grauwe klauwier en de noordse nachtegaal niet duidelijk via welke route ze naar Zuid-Afrika trekken, en of ze ook dezelfde route terug nemen. Dat blijkt niet het geval. Op weg naar hun overwinteringsplek vliegen ze over Egypte en vervolgens dwars door Afrika. Maar terug vliegen ze via de Hoorn van Afrika, over Saoedi-Arabië, via Griekenland naar Noord-Europa. Dat roept weer allerlei nieuwe vragen op, zegt Klaassen. „Hoe doen ze dat?”

Zo onderzocht Klaassen ook boerenzwaluwen. Vorig jaar rustte hij er zo’n vijftig uit met een geologger. „De aankomst van de zwaluwen in Nederland in 2012 was erg vreemd”, zegt Klaassen. Een deel van de vogels was op tijd, dan volgde er een hele tijd niets, en pas veel later volgde het andere deel.

Uit de data leidde Klaassen af dat de zwaluwen weliswaar waren vertrokken uit hun overwinteringsgebieden in Midden- en Zuid-Afrika, maar boven de Sahara in de problemen kwamen, want vanaf daar keerden ze weer om. „Ze vlogen terug naar het zuiden om bij te komen en op te vetten”, zegt Klaassen. Dat heeft de zwaluwen ernstig vertraagd. De trek duurt normaal een maand, nu twee keer zo lang. De waarschijnlijke verklaring, volgens Klaassen, is dat de zwaluwen boven de Sahara last hebben gehad van zandstormen.

    • Marcel aan de Brugh