Column

Poseren

Het literaire tijdschrift Tirade publiceert in het jongste nummer de brieven van een aantal auteurs aan personen en instanties waar ze zich ooit aan geërgerd hebben.

Zo verwijt Charlotte Mutsaers een niet nader genoemde fotograaf, dat hij een onflatteuze foto van haar zonder overleg in een boek heeft opgenomen. De foto was het resultaat van enkele shots na een ‘optreedmiddag’. „Ik heb daar doorgaans veel bezwaar tegen omdat je kop daar letterlijk en figuurlijk niet naar staat, en je steevast moet plaatsnemen in een saaie gang of hal met akelig licht, terwijl je daar helemaal niet voor gekomen bent. Maar helaas, uit vriendelijkheid heb ik toch toegestemd.”

Zij signaleert een tendens onder fotografen om gerespecteerde mensen onvoordelig af te beelden. „Pas een foto die de gefotografeerde terugbrengt tot die zogenaamde essentie, wat dat dan ook moge zijn, zou iets blootgeven van diens kern. Rineke Dijkstra verkoopt deze kletskoek ook al jaren. (…) De menselijke kern bestaat niet. Dat is pas intrigerend! De rest is manipulatie en truc.”

Ik kan niet beoordelen of Mutsaers’ ervaringen representatief zijn, wel wil het toeval dat ik kort tevoren ook een fotograaf op bezoek had die enthousiaster werd naarmate ik somberder in zijn lens keek. Ik wilde al voorstellen om een potje te gaan huilen, toen mijn kat voorbijkwam en me tot een spontane glimlach verleidde. Het werd, wat mij betreft, meteen de beste foto.

Ik moest aan de boze woorden van Mutsaers denken toen ik de tentoonstelling Johan & ik in het Amsterdam Museum bezocht. Daar zijn foto’s te zien waarop Cruijff zich op verzoek laat fotograferen met gewone mensen.

We zien Cruijff met leuke vrouwen, kalende mannen, gehandicapten en kinderen, veel kinderen. En altijd lijkt hij even goedgemutst, alsof dit zijn ultieme doel in het leven is. Er hangt dit citaat van hem: „Wat is er nou mooier dan wanneer een kind met je op de foto gaat en die komt aan de muur te hangen, boven het bed. Dat hoort bij het icoon zijn.”

Eén man vroeg Cruijff drie keer achter elkaar samen met hem te poseren. De eerste keer was hij bang dat de foto mislukt was, de tweede keer vergat hij van de zenuwen het toestel aan te zetten. Cruijff vond het geen bezwaar. Hij heeft niet de kapsones van beroemde sterren die fotografen en fans als strontvliegen van zich afslaan.

Hij deelt kennelijk ook niet de bezwaren van Mutsaers – het zal hem een zorg zijn hoe hij erop staat, voordelig of niet. Hij weet dat hij, waar hij ook komt, toch wel gefotografeerd zal worden. En voor je imago is het beter om mee te werken dan tegen te werken.

Cruijff is zich bewust van zijn imago. „Ik was een van de eersten die iets met z’n imago deed”, zei hij in 2003 in Libelle. Het blijkt ook uit een leuke anekdote die Kees Prins in een filmpje vertelt.

Prins moest met Cruijff een reclamespotje voor de dienstregeling van de NS maken. Prins zou hem enkele vragen stellen. De opnamen verliepen uiterst stroef totdat Prins Cruijff apart nam en zei: „Je moet gewoon enkele typische Cruijff-uitspraken doen.” En hij deed hem de volgende suggestie. Hij zou vragen: „Wat moet je als reiziger doen als je te laat bent?” En dan zou Cruijff ‘spontaan’ zeggen: „Als je te laat bent, ben je in ieder geval op tijd voor de volgende.”

Zo gezegd, zo opgenomen. „Eigenlijk was het fake”, lachte Prins. Maar de regisseur was dik tevreden.