Op de fiets door Congo

Congo is meer dan oorlog en ellende, ontdekte Pim Hulshof toen hij op een knalrode fiets door het land trok.

Bij aankomst in Kinshasa kijkt de bebrilde douanier me wantrouwend aan. „Wat is jullie missie, vader? Diamanten? Koper?” Als ik de ambtsdrager vertel dat we van plan zijn om een fietstocht door zijn land te maken is de verbazing van zijn gezicht te scheppen. „Toerisme? Hier in Congo? C’est impossible!” Hoofdschuddend zet hij een stempel in mijn paspoort en wenst ons een goede reis toe.

Ik kan niet zeggen dat het onthaal op de luchthaven me verbaast. Lees een maand lang iedere dag de krant en backpacken in de Democratische Republiek Congo lijkt een enkele reis naar de hel. Het land staat in de westerse media synoniem voor oorlog, verkrachting en armoede. Koppel dit aan een dramatische infrastructuur, falende economie en dito gezondheidszorg en het prototypische beeld van de Afrikaanse failed state is compleet. Geen land om met drie broers een maandje zorgeloos rond te trekken.

Wel dus, want Congo heeft meer te bieden dan ellende. Mystieke bergketens, ondoordringbare regenwouden, een diep verankerde stammencultuur en een boeiende historie. De voormalige Belgische kolonie vormt het hart van donker Afrika met een oppervlak zo groot als West-Europa. Grotendeels niemandsland, wachtend op ontsluiting om haar geheimen eindelijk prijs te geven aan de moderniteit. Want wat ons trekt is precies datgene wat in de negentiende eeuw beroemde ontdekkingsreizigers als Sir Henry Morton Stanley naar deze plek lokte: waarachtig avontuur.

Het startpunt van onze missie is Mbandaka. Het was Stanley zelf die deze handelspost stichtte, precies op de evenaar aan de oever van de rivier de Congo. Van hieruit reizen we terug naar Kinshasa, 600 kilometer zuidelijker. Bij een lokale handelaar schaffen we drie knalrode fietsen aan. We betalen 375 dollar, een godsvermogen voor de gemiddelde Congolees. „Logisch”, lacht gids Alain besmuikt, „de fietsen komen uit China. Weet je hoe ver dat weg is van Mbandaka?”

Heel ver, realiseer ik me de volgende dag als ik het hobbelige pad zie dat recht voor ons langzaam het regenwoud in slingert. Al snel trekken we de conclusie: fietsen is geen sinecure in Congo. Door de slagregens in het regenseizoen wordt ieder jaar een deel van het aarderode gruis weggespoeld. Gaten, geulen en gammele bruggen van boomstammen: de Congolese infrastructuur is zelfs voor de gemiddelde ezel een gruwel.

Met twintig kilo bagage achterop stoempen we ons een weg door het zwetende regenwoud. De omgeving is ondoordringbaar mooi, maar ik zie regelmatig alleen de weerspiegeling van het groen in mijn stuurpen. Dit is afzien, puur afzien. Maar in ruil daarvoor krijgen we wel Congo op haar puurst. We zien mannen met grote machetes rietsuiker kappen, bejaarde vrouwen slepen manden vol cassave naar huis. Een magere geit ligt versuft onder een bananenboom.

„De laatste toerist die dit gebied doorkruiste was een Amerikaan, ik denk dat het drie jaar geleden is.” Alfred, een tengere broeder die in zijn eentje het veldhospitaal van Pembe runt, moet even diep nadenken. „Nee, hier komen geen toeristen. Jammer, want de mensen vinden het leuk om jullie witte gezichten te zien.” Tientallen kinderen verzamelen zich ondertussen rond onze fietsen. „Eén op de zes kinderen haalt het vijfde levensjaar niet”, zegt Alfred, „en door het eenzijdige dieet van cassave zwellen de buikjes op. Vlees en vis zijn te duur.”

Als we aan het einde van de middag het zoveelste dorp passeren worden we tegengehouden door een goedlachse man met curieuze oren: er groeit aan beide kanten een bosje haar uit. „Ik ben Wilfred, welkom in Bokatola.” Wilfred waakt als dorpshoofd over ongeveer honderd zielen. „Naar mijn weten heeft hier nog nooit een westerling geslapen, maar jullie zijn welkom. Zet de tenten maar op naast mijn huis.” De volgende ochtend geven we Wilfred bij het afscheid een leren bal en tien dollar in ruil voor de overnachting. Het dorp juicht als hij de bal voor het eerst de lucht in schiet.

Pas na een paar dagen fietsen door het regenwoud realiseer ik me dat er iets ontbreekt. Waar is het wildlife waar het land zo om geroemd wordt? Nergens apen die door de bomen slingeren, nergens tropische vogels in het bladerdek. De oorzaak is simpel: bushmeat is een eerste levensbehoefte in dit deel van Congo. Aan de kant van de weg worden dode makaken aangeboden voor vijf dollar per stuk. Een kleine krokodil ‘doet’ het dubbele op de markt.

Het meest pregnante voorbeeld zien we in een klein dorpje. Opgewonden mensen staan in een kring rond een levenloos, behaard lichaam staan. Als ik dichterbij kom zie ik wat het is: een bonobo. Deze mensaap, familie van de chimpansee, leeft alleen in de Congo en is al jaren met uitsterven bedreigd. De dorpelingen hebben er geen boodschap aan, voedsel is voedsel. Met een machete wordt het dier voor onze ogen geslacht. Kinderen met vochtbuikjes kijken ongeduldig toe. Vanavond eten ze vlees.

Bij zonsondergang komen we aan in het havenstadje Isongo, aan de oevers van Lac Mai-Ndombe. Openbaar vervoer bestaat hier niet, we zullen per boot verder moeten reizen. Gelukkig vertrekt eens per week een schip van de Société de Développement des Fôrets, een bedrijf dat tropisch hardhout exporteert. Diezelfde avond verkopen we onze fietsen voor 250 dollar aan een vader met drie zoons. „Het is een investering voor de toekomst”, legt de man uit. „Een fiets biedt hier mogelijkheden. Om naar school te gaan, om handel te drijven.”

Na drie dagen op het roestige bovendek van de vrachtboot van de Société arriveren we in Nioki, een havenstadje op 200 kilometer van Kinshasa. Ik voel mijn rubberen benen trillen als ik eindelijk voet aan wal zet. Het eerste wat ik zie is een klein aapje bij een groentekraam. Hij heeft een touw om zijn nek. Een stevige onderhandeling later en twintig dollar armer hebben we onze eigen aap. Nelson Mandela is zijn naam.

In Congo kan blijkbaar alles. Met Nelson op mijn schouder stuiteren we in een oude bus over de autowegen. Eindelijk openbaar vervoer. Hoe dichter we Kinshasa naderen, hoe beter het asfalt wordt. Tijdens een tussenstop trekt onze chauffeur Blaise nog maar eens een fles Primusbier los. Niemand kijkt er van op. „Ik ben een Kinois”, zegt hij trots, een inwoner van Kinshasa. „In de stad kan ik geld verdienen en verveel ik me nooit. En bovendien zijn de vrouwen er beter.” Met een knipoog neemt hij plaats achter het stuur.

Als we de buitenwijken van de metropool bereiken begrijp ik wat hij bedoelt. Kinshasa is als een vluchtelingenkamp met infrastructuur, met negen miljoen inwoners is de stad al vier keer zo groot als Parijs en dagelijks arriveren busladingen vol nieuwe migranten. Bedelaars bevolken de Boulevard de 30 Juin, het enige stukje Kinshasa dat doet denken aan een Westerse stad. Wolkenkrabbers, een strip asfalt en restaurants met obers in smoking.

’s Nachts is dit deel van Kinshasa wild en ongetemd. De muziek van Papa Wemba hypnotiseert bezoekers van dampende nachtclubs tot diep in de ochtend. Dans, drank en dames van plezier. Ik snap de knipoog van buschauffeur Blaise nu.

Kinshasa kent weinig toeristische trekpleisters, maar de dierentuin is er één van. We komen Nelson naar zijn nieuwe huis brengen. De directeur ontvangt ons persoonlijk. Natuurlijk heeft hij plaats voor Nelson, maar niet voordat we eerst de hand schudden van alle aanwezige chimpansees en moeten toekijken hoe een verzorger lachend in de penis van een makaak knijpt die hier zichtbaar van geniet. Zelfs de dierentuin ademt de atmosfeer van dit bijzondere land: gastvrij, krankzinnig en onvoorspelbaar Afrikaans.

    • Pim Hulshof