Oeuvre gebouwd op actualiteit

Na een jaar vol lof voor Tonio, zijn bestseller tegen wil en dank, krijgt A.F.Th. van der Heijden een prijs voor zijn totale verhalend proza.

A.F.Th. van der Heijden Foto Marco Okhuizen/Hollandse Hoogte

De toekenning van de P.C. Hooftprijs aan A.F.Th. van der Heijden vanmorgen besluit een jaar waarin de schrijver een ongekende hoeveelheid formele lof toegezwaaid heeft gekregen. In januari nam hij de Constantijn Huygensprijs in ontvangst voor zijn hele oeuvre, vier maanden later volgde de Librisprijs voor zijn requiemroman Tonio – het boek dat in oktober ook nog werd bekroond met de NS Publieksprijs. Nu is daar de hoogste Nederlandse literaire onderscheiding bijgekomen.

Tonio, het requiem voor de met Pinksteren 2010 verongelukte 21-jarige zoon van de schrijver en Mirjam Rotenstreich, staat al meer dan een jaar onafgebroken in de bestsellerlijsten. Het leverde Van der Heijden een hele nieuwe lezersgroep op van mensen die zijn werk daarvoor nauwelijks kenden. Zelf leidt hij sinds meer dan twee jaar een soort kluizenaarsbestaan. Hij komt de deur amper uit, laat zich uitsluitend schriftelijk – en soms telefonisch – interviewen. En hij schrijft elke dag. De prijzen voor Tonio verwelkomde hij als „een klankkast” onder het boek waarmee hij zijn gestorven kind een stem wilde geven – al kon hij het bij geen van de drie prijsuitreikingen opbrengen om aanwezig te zijn.

Hoezeer Tonio, de bestseller tegen wil en dank, dit jaar ook centraal lijkt te staan – een Belgische rechter veroordeelde een roekeloze rijder zelfs tot lezing van het boek – de jury van de P.C. Hooftprijs bekroont een heel oeuvre. Gezien de kracht en de reputatie van zijn werk heeft het eigenlijk nog lang geduurd voordat Van der Heijden de 60.000 euro grote prijs kreeg. 34 jaar geleden debuteerde hij met Een gondel in de Herengracht, toen nog onder het pseudoniem Patrizio Canaponi, en vijf jaar later was zijn naam bij een groot publiek gevestigd door De slag om de Blauwbrug en Vallende ouders. Het zijn de eerste delen van zijn cyclus De tandeloze tijd, waarin hij zijn alter ego Albert Egberts volgt door het Nederland van de jaren zeventig en tachtig. Als geen ander slaagt Van der Heijden erin de literatuur te zien in de verhalen van alledag – en die verhalen uit te vergroten tot mythische proporties. Het maakte hem tot de stem van een generatie en de chroniqueur van de krakers- en kroningstijd van de jaren tachtig.

Daarbij trok de op 15 oktober in Geldrop geboren Adrianus Franciscus Theodorus (Adri) van der Heijden zich weinig aan van de calvinistische mores van de Nederlandse letteren, waarin het kleine doorgaans voor het fijnste doorgaat. Hij verklaarde in 2003 weliswaar een bewonderaar van Nescio te zijn, maar dat was niet de traditie waarin hij wilde treden.

Van der Heijden, die psychologie en filosofie studeerde in Nijmegen voor hij in 1976 naar Amsterdam vertrok om er zijn literaire geluk te beproeven. Dat deed hij onder meer door zich met een (later gepubliceerde) brief van 22 kantjes aan te bieden bij uitgever Geert van Oorschot. Het leidde niet tot een contract, Van der Heijden belandde bij Querido; de laatste jaren verschijnen zijn boeken bij De Bezige Bij.

Hij introduceerde de term ‘leven in de breedte’ en schrijven was voor hem ook altijd ‘schrijven in de breedte’. Dat betekent dat de plannen voor nieuwe boeken van Van der Heijden zich in hoog tempo opvolgen, een hoger tempo ook dan waarin de schrijver al zijn projecten menselijkerwijs kan voltooien. Het maakte dat Van der Heijden ook wel spotlust van de zijlijn opwekte – er is altijd wel een boek dat nog niet voltooid is.

Wellicht dat zijn afkeer van valse bescheidenheid maakte dat jury’s van oeuvreprijzen vaak meenden dat een volgende jury de onvermijdelijke bekroning van ‘A.F.Th.’ maar op zich moest nemen. Intussen bouwde de auteur aan een oeuvre van grote en grootse romans die het leven van zijn tijd op de voet volgen – of het nu een Betuwse moordzaak is (Het hof van barmhartigheid), de dood van kraker Hans Kok (Advocaat van de hanen), de gewelddadige dood van een Ajax-hooligan (De Movo tapes en de meesterlijke novelle MIM) of de Amerikaanse moordenaar Charles Manson (Het schervengericht). Boeken waarin hij duidelijk maakte hoe je op het oog prozaïsche gebeurtenissen kon verbinden met grote literaire voorgangers (zoals het Oedipusmotief in Homo duplex), maar ook hoe je gebeurtenissen niet hoeft te verkleinen om gevoel te tonen, zoals in zijn Boekenweekgeschenk Weerborstels. Naast fictie publiceerde hij verschillende boeken met egodocumenten.

De grote oeuvreprijs liet lang op zich wachten. Maar intussen wonnen Van der Heijdens afzonderlijke boeken wel prijzen. Met Arnon Grunberg is hij de enige auteur die driemaal een van de grote jaarlijkse boekenprijzen won: de Generale Bank Literatuurprijs in 1997 voor Onder het plaveisel het moeras, de AKO Literatuurprijs voor Het schervengericht in 2007 en dit voorjaar de Libris literatuurprijs voor Tonio.

Die prijsuitreiking was een van de memorabele momenten van dit literaire jaar. Niet zozeer door de afwezigheid van de schrijver, maar vooral door de stilte van 104 seconden, die viel na het dankwoord van de schrijver, uitgesproken door zijn uitgever Henk Pröpper. Het was een stilte die indirect voortkwam uit het bekroonde boek, maar vooral uit de gedachte aan Tonio. Het boek over diens leven zou je in termen van bekroningen, verkoop en weerklank zijn grootste succes kunnen noemen, ware het niet dat uit de ‘requiemroman’ zelf blijkt hoe futiel de pogingen zijn om een gestorvene met literaire middelen weer levend te krijgen.

Sinds de dood van zijn zoon maakt Van der Heijden vrijwel dagelijks de gang naar zijn werkkamer, in joggingbroek en T-shirt – het soort kleren dat hij droeg toen hij de onheilstijding over zijn zoon te horen kreeg. Buiten komt hij amper, cafés bezoekt hij niet meer en openbare gelegenheden heeft hij tot dusver gemeden. Of hij over enkele maanden aanwezig zal zijn bij de uitreiking van de P.C. Hooftprijs is dan ook zeer de vraag. Wel hoopt hij binnen afzienbare tijd een nieuw boek af te ronden. Sinds de dood van zijn zoon, zo liet Van der Heijden vorige maand weten, is schrijven „eigenlijk het enige dat nog wel lukt”.