Nederlands uitstekende pensioensysteem dreigt straks op de sloop terecht te komen

Met de aanvullende pensioenen en de AOW wordt onzorgvuldig omgesprongen, betoogt B.M.S. van Praag.

Het pensioenfonds ‘Zorg en Welzijn’, met ongeveer twee miljoen deelnemers, liet dezer dagen weten dat het van plan is het pensioencontract met zijn deelnemers drastisch te wijzigen.

Het fonds wil af van een duidelijke pensioenverplichting tot het uitbetalen van een geïndexeerd, waardevast pensioen en overstappen naar een ‘pensioenambitie’. Het pensioen zou dan ‘mee-ademen’ met de waarde van de beleggingen.

Het is natuurlijk duidelijk dat dit een heel prettige regeling is voor de pensioenfondsbestuurders. Zij hebben nog slechts een inspanningsverplichting om er het beste van te maken. Zit het even of voor langere tijd niet mee, dan zegt men ‘sorry’ tegen de deelnemers en verder gebeurt er niets. De deelnemers – actieven en gepensioneerden – zitten met de gebakken peren.

Bij een normaal contract kan men dan bij wanprestatie tegen zijn leverancier zeggen dat men naar een concurrent gaat. Voor de deelnemers van Zorg en Welzijn geldt daarentegen dat zij verplicht zijn hun pensioen bij dat fonds op te bouwen. Er is geen exit. Duidelijk is dat deze wijziging impliceert dat elke discipline voor bestuurders op langere termijn overboord gezet wordt.

Naar ik vrees geldt dit ook voor werkgevers en werknemers. De verleiding is voor hen groot om na enkele goede beleggingsjaren – waarin de reserves gestegen zijn – de premiebijdrage te verlagen, waarna een premieverhoging zeer moeilijk af te dwingen zal zijn als het weer tegenzit . Het wordt inderdaad een ‘casinopensioen’. Is het dan zo slecht gesteld met Zorg en Welzijn dat men zulke wanhoopsdaden plant? Het antwoord is hoofdzakelijk ja en een beetje nee. De jaarrendementen bij Zorg en Welzijn liggen volgens eigen opgaven sinds 1970 gemiddeld op circa 9 procent van het vermogen. In 2009 werd 17,6 procent gescoord, in 2010 12,6 procent en in 2011 8,4 procent. In 2012 werd over de eerste twee kwartalen weer 5,5 procent bijgeschreven.

Met het rendement is dus niks mis, ook al schommelt het van jaar tot jaar. Integendeel, een groot compliment voor de beleggers is op zijn plaats. Is er dan een te lage premie? Die premie bedraagt nu ongeveer 24 procent, maar die lag in 2001 nog op 5 procent. Dat was natuurlijk onverantwoord laag. In 2006 was de premie naar een meer verantwoord niveau van 22,5 procent gebracht.

Het grootste probleem met Zorg en Welzijn is dat het fonds door de minister en De Nederlandsche Bank gedwongen wordt zijn positie te waarderen met behulp van een dekkingsgraad. Hierbij moet een discontovoet van circa 2,5 procent worden gebruikt, hoewel het werkelijke rendement gedurende vele decennia ongeveer 9 procent is.

Zo kan natuurlijk elk fonds ‘onder water’ worden gezet. Met inachtneming van een zekere prudentie zou een discontovoet van 6 procent redelijk zijn.

Uitgaande van de vuistregel dat elk procentpunt extra rekenrente de dekkingsgraad met 15 procent doet stijgen, zou de dekkingsgraad van Zorg en Welzijn kunnen worden becijferd op circa 145 procent in plaats van de armetierige 100 procent waarmee De Nederlandsche Bank Zorg en Welzijn uitdost.

Ik kan niet anders concluderen dan dat het Nederlandse systeem van bepaalde pensioenen en pensioenfondsen naar de sloop wordt gebracht, met als bijkomend gevolg dat het arbeidsklimaat voor vele jaren totaal verpest wordt.

Het lijkt uitermate gewenst dat een commissie van onafhankelijke wijzen, bijvoorbeeld een staatscommissie, de hele pensioenproblematiek voor de arbeidsmarkt eens grondig analyseert, inclusief de betekenis van het aanvullend pensioen.

De samenstelling van zo’n commissie zal niet eenvoudig zijn. In elk geval lijkt het onwenselijk dat deze commissie weer bevolkt wordt door de bekende nationale goeroes en/of belangenpartijen als werkgevers en vakbonden. Zij zullen immers niet in staat zijn hun eerder ingenomen posities kritisch te heroverwegen. Veeleer moet gedacht worden aan onafhankelijke, buitenlandse deskundigen zonder besmet verleden.

In de tussentijd lijkt het verstandig geen onbezonnen stappen te doen, die moeilijk kunnen worden teruggedraaid.

De hele zaak klemt des te meer omdat de instandhouding van ons andere pensioensysteem, de AOW, in de naaste toekomst een veel groter probleem wordt dan de aanvullende pensioenen.

Het omslagstelsel van de AOW zal binnenkort immers onhoudbaar blijken, op grond van de demografische ontwikkelingen. Het voorstel van de commissie-Van Dijkhuizen om de AOW voor welgestelde ouderen te fiscaliseren, preludeert daar reeds op.

Ons systeem van aanvullende pensioenen is het beste van de wereld. Niet afbreken dus.

B.M.S. van Praag is emeritus universiteitshoogleraar economie aan de Univerisiteit van Amsterdam.