God is echt wel voldoende beschermd

Tachtig jaar bestond het verbod op ‘smalende godslastering’. Nu wordt het artikel afgeschaft. Was het verbod nodig? Nee. Of ja, wel in de jaren 30.

Nederland, Bunnik, 27-04-2011 Vloeken is aangeleerd , word geen naprater staat er op dit bord met een afbeelding van een papagaai van de bond tegen het vloeken. FOTO: Gerard Til / Hollandse Hoogte Gerard Til / Hollandse Hoogte/>

Een mensenleven bestond de wet. Geboren in november 1932 en sinds vorige week ten dode opgeschreven. Toen bleek een Kamermeerderheid voorstander van de afschaffing van het verbod op ‘smalende godslastering’, artikel 147.

Het einde van deze wet, de zogenoemde ‘Lex Donner’, is nabij door een dubbele draai van VVD. In 2009 was de partij nog mede-indiener van een initiatiefwetsvoorstel voor afschaffing van artikel 147. Maar de VVD trok die steun in tijdens de vorige kabinetsperiode: het minderheidskabinet van VVD-CDA was afhankelijk van de parlementaire steun van de SGP, en dus wilden de liberalen de staatkundig gereformeerden niet bruuskeren. Nu, bevrijd van die gedoogconstructie, is de VVD terug bij haar eerdere standpunt: een aparte wet voor godslastering is onwenselijk, gekrenkte godsdienstigen kunnen terecht bij artikel 137c dat allerlei groeperingen beschermt tegen opzettelijke belediging.

Het naderende einde van het artikel staat ook voor een einde aan decennia van juridisch en politiek geharrewar. Zolang de wet bestaat, is er al onduidelijkheid over de vraag wat die precies beoogt. Wie of wat beschermt de wet nu eigenlijk? En wat is ‘smalende’ godslastering precies?

De Lex Donner zag dus het licht in 1932. Naamgever was Jan Donner, minister van Justitie – en grootvader van Piet Hein, nu vicevoorzitter van de Raad van State. In die jaren kwamen anarchistische en communistische groeperingen op, die de christelijke god bespotten – het geloof hield het volk immers af van de communistische heilstaat.

Zo verscheen op 23 december 1930 een artikel in het communistische partijblad De Tribune. Christus moest ‘op de mestvaalt, de heilige Maagd in de stal, de heilige Vader naar de duivel’. Een paar weken later verscheen een spotprent van God als de uitvinder van een nieuw gifgas.

Nederland was in die jaren nog voor het overgrote deel christelijk, en de ophef was aanzienlijk. Kamerleden eisten actie van de regering. Donner besloot een wet in te dienen tegen smalende godslastering om zo het stelselmatige karakter van de communistische mediacampagne tegen God het hoofd te bieden.

Het parlementaire debat over die wet verliep warrig, zegt Henny Sackers, hoogleraar strafrecht aan de Radboud Universiteit en co-auteur van een boek over de historie van deze wet. „Ook toen al vroegen Kamerleden zich af, wat betekent ‘smalen’? Wat is een godsbeeld precies?” Maar Donner redde zich eruit, volgens Sackers dankzij het gebruik van lange bijzinnen, „waarna het gemiddelde Kamerlid dacht: het zal wel aan mij liggen dat ik het niet meer snap”.

Artikel 147 was een feit, het smalend belasteren van God verboden. „De toevoeging ‘smalend’ betekende dat er sprake moest zijn van grove beschimping”, zegt Aernout Nieuwenhuis, universitair hoofddocent staatsrecht aan de Universiteit van Amsterdam. „Religiekritiek bleef dus toegestaan.” Bovendien ging het puur om belediging van de christelijke god. „Uit de wetsbehandeling blijkt dat de wetgever niet doelt op opperwezens van andere religies – hoogstens op dat van de joden”, zegt Sackers.

Tussen 1932 en 1965 zijn er negen veroordelingen geweest. Maar de meest geruchtmakende zaak leidde tot vrijspraak: Gerard van het Reve die schreef over de reïncarnatie van god tot ezel.

Dat ‘Ezel-arrest’ van de Hoge Raad, in 1968, markeerde een keerpunt: er zijn ook daarna geen veroordelingen meer geweest. Wel waren er tientallen aanklachten. Gekrenkte gelovigen die het oneens zijn met het besluit van justitie om af te zien van strafvervolging, kunnen klagen bij het gerechtshof. Dat kan alsnog leiden tot strafvervolging.

Zo klaagde de Bond tegen het Vloeken over een lied van Van Kooten en De Bie, het Wijnjaar Nul, uit 1982, met onder meer de passage: „Jezus reed niet in een auto rond/had geen motor onder zijne kont/dat zou trouwens onverantwoord zijn/want ’s avonds dronk hij liters tafelwijn.” De Bond tegen het Vloeken klaagde ook over Theo van Gogh, die het in HP/De Tijd had over ‘christenhonden’, de ‘supportersvereniging van die rotte vis van Nazareth’. Andere klachten gingen over Monty Python’s Life of Brian en over De Duivelsverzen van Rushdie. Meestal zag justitie af van een bevel tot vervolging. Kwam er al een zaak, dan leidde die keer op keer tot vrijspraak.

Een dode letter dus, artikel 147? Nee, zegt Sackers, een ‘slapende letter’. Zeker, zegt hij, van vervolging is nauwelijks meer sprake. „Maar dat maakt de wet niet waardeloos. Het regent aanklachten. De wet vervult dus een functie: het indienen van een aanklacht kan fungeren als een uitlaatklep voor gekrenkte gelovigen.”

Een Kamermeerderheid vindt dat argument niet belangrijk genoeg. Het wetsvoorstel voor de afschaffing zal binnen enkele maanden worden behandeld.

    • Ingmar Vriesema