Extremisten ‘kapen’ de strijd in Syrië

Het Westen wil inspelen op de snelle opmars van de Syrische opstand. Maar jihadisten spelen een grote rol. De VS zetten hen op een terreurlijst.

Vertegenwoordigers van de Syrische niet-gewapende oppositie bagatelliseren steevast de rol van jihadisten in de opstand tegen het regime van president Bashar al-Assad. Ja, natuurlijk zijn er wel moslimextremisten onder de gewapende rebellen, zeggen ze, maar het Westen overdrijft hun aantal als argument om geen wapens te hoeven leveren.

Er zijn echter aanwijzingen dat extremisten, die niet zozeer voor een democratischer bewind als wel de dictatuur van hun radicale islam vechten, wel degelijk snel terrein winnen binnen de opstand. Gisteren werd de val gemeld van de laatste basis van het Syrische leger ten westen van Aleppo, Sheikh Suleiman. Het Observatorium voor de Mensenrechten in Londen, dat namens de oppositie de vorderingen van de opstand bijhoudt, meldde deze „belangrijke overwinning” voor de rebellen.

Maar de woordvoerder voegde eraan toe dat de extremistenbeweging Al-Nusra en ermee verbonden groepen de basis hadden veroverd. „Het Vrije Syrische Leger probeert de overwinning naar zich toe te trekken, maar het is niet zijn werk”, zei hij. Een journalist van het Franse persbureau AFP die bij een deel van de aanval aanwezig was geweest, meldde dat een groot deel van de strijders buitenlander was. Het is bekend dat Al-Nusra – ‘de overwinning’ – connecties heeft met Al-Qaeda.

De AFP-journalist meldde dat, na een wekenlang beleg van Sheikh Suleiman, de jihadistische groepen onder de rebellen het initiatief tot de beslissende aanval hadden genomen en de eenheden van het meer reguliere Vrije Syrische Leger hadden verrast. Bij een ander regeringsgarnizoen bij Aleppo was het kort te voren net zo gegaan. Al-Nusra is ook actief bij de hoofdstad Damascus.

Al-Nusra en medestanders blijven nog een minderheid onder de gewapende rebellen, hoewel hun sterkte nu zes- tot tienduizend man zou belopen. Maar zij zijn betere vechters dan de niet-jihadisten. Bovendien profiteren zij van directe geld- en wapenschenkingen uit Arabische Golfstaten. Nu zij degenen zijn die de laatste stoot geven tot de val van militaire bases, hebben zij ook de eerste keuze uit de daar aanwezige wapens.

De Amerikaanse regering wil op een gegeven moment wel wapens leveren aan de rebellen om het regime sneller omver te duwen. Maar ze wil tegen elke prijs voorkomen dat die in handen komen van jihadisten wier plannen schadelijk zijn voor westerse belangen. Daarom zette Washington gisteren Al-Nusra op zijn lijst van terroristische groepen. Dat betekent dat eventuele tegoeden in de VS worden bevroren, en dat Amerikaanse burgers de groep geen hulp mogen leveren. Het besluit daartoe zou morgen officieel worden bekendgemaakt tijdens een bijeenkomst van de ‘Vrienden van Syrië’ in Marokko.

Maar er is hier een probleem. Mede dankzij de vechtkracht van de jihadisten wordt het Syrische leger gestaag verder in het defensief gedrukt. De twee hierboven genoemde bases zouden nog in handen van het regeringsleger zijn, als Al-Nusra er niet was geweest. Volgens de website Syria Comment gaven 83 rebellengroepen toen ze vorige week van het Amerikaanse voornemen hoorden, een verklaring uit waarin ze hun solidariteit met Al-Nusra betuigden.

Wel hebben niet-jihadistische rebellengroepen Al-Nusra buiten een nieuw militair commando gehouden dat ze zojuist in Turkije hebben opgericht in overeenstemming met de wens van het Westen om één adres te hebben voor – op dit moment niet-militaire – hulp. Het nieuwe commando wordt gedomineerd door de Syrische Moslimbroederschap, die de steun van Turkije en Qatar geniet. Commandanten van het Vrije Syrische Leger die eerder een hoofdrol speelden, zoals kolonel Riad Asaad en generaal Mustafa al-Sheikh, zijn buitengesloten.

    • Carolien Roelants