De zwakke leerling doet het best goed, maar waar blijft de excellente leerling?

De beste Nederlandse leerlingen moeten nog beter worden, vindt het kabinet. Maar dat lukt nog niet. En het ziet er niet naar uit dat ze meer aandacht van hun leraren gaan krijgen.

Is het nu goed nieuws, of slecht nieuws? Uit twee internationale onderzoeken die vandaag verschijnen, blijkt dat de jarenlange achteruitgang in reken- en leesprestaties van Nederlandse basisscholieren is gestopt. Maar terwijl Nederland pas op de plaats maakt, zijn buitenlandse leerlingen beter geworden. Nederland zakt daardoor af naar de subtop. Waarbij moeten worden aangetekend dat de lees- en rekenprestaties nog altijd zeer ruim boven het gemiddelde zijn.

De onafhankelijke onderzoeken TIMMS (rekenen en natuuronderwijs) en PIRLS (leesvaardigheid), in Nederland bekostigd door wetenschapsfinancier NWO, worden sinds 1995 gedaan. Aan het onderzoek over 2011 deden ruim 7.000 leerlingen uit vijftig landen mee.

Vanaf de eerste keer dat de resultaten werden gepubliceerd, is Nederland gezakt op de ranglijstjes. Nederlandse scholieren uit groep zes, de leeftijdsgroep waarop de testen worden afgenomen, presteerden elke keer slechter. Zowel relatief, ten opzichte van andere landen, als absoluut: leerlingen zijn tussen 1995 en 2007 minder goed gaan lezen en rekenen.

Het stoppen van deze glijvlucht (die ook optreedt in het PISA-onderzoek naar de vaardigheden van middelbare scholieren) is sinds een aantal jaar een belangrijk doel van de Haagse politiek. Als de daling in niveau inderdaad is gestuit, dan kan Marja van Bijsterveldt (CDA), die in de vorige kabinetten eerst als staatssecretaris en later minister verantwoordelijk was voor het basis- en voortgezet onderwijs, dat feit op deels haar conto schrijven.

Een ander belangrijk onderdeel van haar beleid lijkt voorlopig nog niet gelukt. Het aantal leerlingen dat excellent presteert, is tussen 2007 en 2011 gedaald. 7 procent van de Nederlandse scholieren in groep zes leest op het hoogste niveau, 5 procent rekent op het hoogste niveau en bij natuurwetenschappen haalt slechts 3 procent dat hoogste niveau. Daar staat tegenover dat zelfs de zwakste leerlingen op alle gebieden een redelijk niveau weten te bereiken. Daarin doet Nederland het beter dan elk ander land.

Ook dit kabinet wil dat de beste scholieren beter gaan presteren en niet aan hun lot worden overgelaten omdat alle aandacht uitgaat naar zwakke leerlingen. Of dit de komende periode gaat lukken, valt te bezien. De komende jaren wordt het passend onderwijs ingevoerd. Dat houdt in dat kinderen met leerproblemen zoveel mogelijk in het reguliere basisonderwijs worden opgevangen. Alleen voor de problematische gevallen blijft een plek beschikbaar in het speciaal onderwijs.

Dit leidt ertoe dat kinderen die eerst niet op de gewone basisschool zaten daar straks wel de aandacht van de leraar zullen opeisen. Heeft die meester of juf dan ook nog tijd om de beste leerlingen met uitdagend werk te stimuleren?

Een bijkomend probleem is dat uit het TIMMS- en PIRLS-onderzoek blijkt dat Nederlandse leraren weinig zelfvertrouwen hebben in de omgang met de beste leerlingen. Hier wreekt zich de achteruitgang van het niveau van de lerarenopleidingen. Jarenlang was daar meer aandacht voor de persoonlijke ontwikkeling van de aankomende docent, dan voor rekenen en lezen. Voorgaande kabinetten hebben daar maatregelen tegen genomen door hogere eisen te stellen aan het taal- en rekenniveau van pabo-studenten. Maar daar hebben de leraren die het afgelopen decennium zijn afgestudeerd weinig aan. Zij zullen moeten worden bijgeschoold.

Andere uitkomsten uit de onderzoeken bevestigen bekende problemen. Scholen met veel allochtone leerlingen doen het slechter dan scholen waarop vooral autochtone leerlingen zitten. Hoopgevend is dat de verschillen de afgelopen periode wel kleiner zijn geworden. Ook opvallend: scholen op het platteland presteren beter dan scholen in stedelijke gebeiden.

Tijdens de begrotingsbehandeling van het ministerie van Onderwijs stelden VVD en PvdA vorige week voor meer aandacht te besteden aan techniekonderwijs op de pabo. De resultaten van het TIMMS-onderzoek werpen de vraag op of dat geld daar het best besteed is. Want alleen op het gebied van natuuronderwijs – biologie en zeer elementaire schei- en natuurkunde – zijn Nederlandse leerlingen in groep zes de afgelopen periode gestegen op de internationale ranglijsten, van een elfde naar een achtste plaats. Het feit dat leerlingen onvoldoende doorstromen naar technische opleidingen, ligt dus niet aan het niveau van het basisschool. Wellicht komt de 100 miljoen euro die het kabinet beschikbaar heeft voor techniek beter tot zijn recht in het voortgezet onderwijs.