'Wie deze baan geen eer vindt, jokt'

Hij was Kamerlid, nu weer minister. Dat is als „het verruilen van een auto zonder stuurbekrachtiging naar eentje mét”. Hoewel hij liever Financiën had gekregen.

Nederland, Den Haag, 30-11-2012 Ronald Plasterk is een Nederlandse politicus en wetenschapper. Sinds 5 november 2012 is Plasterk minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in het kabinet-Rutte II. PHOTO AND COPYRIGHT ROGER CREMERS Roger Cremers - 2012

Annemarie Kas

Minister Ronald Plasterk pakt de zaken grondig aan. Hij heeft aan de muur van zijn nieuwe werkkamer meteen na zijn aantreden twee grote posters opgehangen, moderne, kleurige varianten van oude schoolkaarten. Een met de gemeentelijke indeling van Nederland, de ander van Caraïbisch Nederland.

Hij heeft ook nog een enorm magneetbord besteld, twee bij twee meter, met de kaart van Nederland erop. „Met van die pinnetjes erbij, zodat ik kan bijhouden wat er verandert in de bestuurlijke indelingen.”

Grote Thema’s vindt Plasterk mooi, zegt hij. Hij spreidt zijn armen. „Democratíe. Dat is toch een prachtig onderwerp om je mee bezig te houden?” Als minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is Ronald Plasterk (55) nu verantwoordelijk voor de rechtsstaat, voor de grondwet, voor de verhoudingen tussen alle bestuurslagen, voor Koninkrijksrelaties, voor de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst.

Heel politiek Den Haag wist dat Plasterk graag weer minister zou worden, als zijn PvdA ging meeregeren. Het liefst had hij Financiën gedaan, ook dat was geen geheim: de afgelopen tweeënhalf jaar was hij als Kamerlid financieel woordvoerder. Daarvóór was Plasterk drie jaar lang minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, in het laatste kabinet-Balkenende.

Het ministerie van Binnenlandse Zaken was toch niet uw favoriet?

„Inmiddels wel.” Hij lacht. „Ik hecht me snel. Vijfentwintig jaar lang deed ik DNA-onderzoek. En dacht, dit is het mooiste wat je in je leven kunt doen. Toen werd ik minister van Onderwijs. Het kabinet viel, ik dacht: ik ben hier nog lang niet klaar, dus als ik óóit de kans krijg, ga ik terug en maak ik die klus af.”

Dat liep anders. De PvdA kwam in de oppositie in 2010, Plasterk ging de Tweede Kamer in. Als één van de weinige oud-ministers. „Financiën leek me de mooiste portefeuille, vanwege de crisis. Als je je daar in verdiept, denk je: ik zou dat probleem van de eurocrisis niet graag loslaten.”

Nu vindt Plasterk het logisch dat niet hij, maar partijgenoot Jeroen Dijsselbloem dat ministerie kreeg. Heel verstandig zelfs, zegt hij. „Wij hadden twee onderhandelaars in de formatie: Diederik Samsom en Jeroen Dijsselbloem. Een van hen zou hoe dan ook het kabinet niet ingaan: Diederik Samsom. Dan is het cruciaal dat de ander die de begroting heeft gemaakt daarvoor ook verantwoordelijkheid neemt. En ik kreeg al snel de vraag wat ik van Binnenlandse Zaken zou vinden. Nou, daar ben ik enthousiast over.”

Het ministerie van Binnenlandse Zaken is uitgekleed, zeggen critici. De politie is weg sinds het eerste kabinet-Rutte, en nu zijn ook Immigratie en Asiel verdwenen naar Justitie.

„Er zijn wat taken aangespoeld en weer losgeraakt in de loop der jaren, maar dat zul je altijd houden.”

U vindt niet dat u te weinig over heeft?

„Nee, helemaal niet. De taken die hier nu liggen, vormen de kern van wat het ministerie van Binnenlandse Zaken inhoudt. Je bent toch verantwoordelijk voor de Grondwet. Voor de rechtsstaat, en voor het feit dat we die hebben. Voor het huis van Thorbecke. De verantwoordelijkheid voor de toch fatsoenlijk functionerende staat waarin wij leven, berust eigenlijk bij Binnenlandse Zaken. En juist omdat ik niet ook minister van Volkshuisvesting ben, kan ik die thema’s alle aandacht geven.”

Hoe gaat u de democratie beschermen?

„Er zijn maar weinig landen ter wereld waar burgers geen directe zeggenschap hebben over wie hun burgemeester wordt. De kroonbenoeming zoals wij die nu hebben, de gedachte dat de regering bepaalt wie burgemeester wordt, is niet meer van deze tijd. Dus die gaan we uit de Grondwet halen. In de tijd dat de Grondwet werd geschreven, betékende het ook werkelijk dat de Kroon benoemde. Nu staat het alleen voor een handtekening, de vertrouwenscommissie van een gemeenteraad bepaalt wie burgemeester wordt.

„We kunnen twee modellen kiezen. Burgers die direct stemmen, of de gemeenteraad die een burgemeester kiest. Bij die laatste variant kun je dus campagne voeren en zeggen: stem partij X, dan wordt Marietje burgemeester. Zoals bij de Tweede Kamerverkiezingen ook de inzet is wie er premier wordt.”

Welk model kiest u?

„Ik doe er wijs aan dat open te laten. We gaan daar nu toch niet over. Omdat er een grondwetswijziging voor nodig is, komt pas in de volgende kabinetsperiode aan de orde welk model het moet worden.”

Een van Plasterks grootste taken is de herindeling van het openbaar bestuur. In 2017 moeten 75 gemeenten zijn gefuseerd – dat moet 180 miljoen euro besparen. De provincies Noord-Holland, Utrecht en Flevoland moeten ook samengaan, volgens Plasterk liefst vóór de Statenverkiezingen van maart 2015.

Publicist en onderzoeker op het gebied van openbaar bestuur Paul Bordewijk, een van Plasterks beste vrienden, leende hem een stapel boeken zodat hij zich kon voorbereiden. Bordewijk ging ook alle veranderingen van het openbaar bestuur met hem langs. Van de meeste plannen voor herinrichting kwam niets terecht, stelden ze vast.

Heeft u zich aan iets onhaalbaars gecommitteerd?

„Dat vind ik zo’n primitieve vorm van plandenken. We gaan niet met een stok in het zand uittekenen waar we uitkomen. Toen ik aantrad bij het ministerie van OCW, in 2007, vertelde een oud-minister me: je moet op voorhand drie punten op een half A4’tje zetten. Dáár ga je voor, en de rest laat je maar een beetje lopen. Zo’n denkvorm lijkt me gedoemd te mislukken.

„De werkelijkheid is anders, er doen zich voortdurend dingen voor die je niet ziet aankomen. Bij OCW bleek ik ineens veel te kunnen doen op het gebied van homo-emancipatie. Daar heb ik me fanatiek op gestort, zonder dat ik dat had gepland. Zoiets moet organisch gaan.”

Er staan anders harde afspraken in het regeerakkoord. Minder gemeenten, bijvoorbeeld. Gemiddeld daalt het aantal gemeenten met tien per jaar. U gaat daar twintig per jaar van maken?

„Ja, ik ben daar niet pessimistisch over. Die tien gemeenten per jaar fuseren al spontaan, en de ervaringen zijn goed: mensen zien dat de eigenheid van hun dorp of stad blijft. En een belangrijke ontwikkeling is nu dat er zoveel taken op gemeenten afkomen dat ze op zijn minst intensief moeten gaan samenwerken.

„Nu bedraagt het gemeentefonds 18 miljard euro, daar komt deze periode 16 miljard euro aan taken bij. In die eerste 18 miljard zitten echt lokale taken. Maar wat we nu gaan decentraliseren, de jeugdzorg, langdurige zorg, dat zijn echt kwesties waar het niet mis mag gaan.”

Maakt u zich daar zorgen over?

„Ik moet ervoor zorgen dat we het openbaar bestuur niet rommeliger maken. En het geld moet zoveel mogelijk bij de gemeenten zelf terecht komen, in plaats van bij allerlei hulpsinterklaasconstructies. Een gemeente is een democratie die burgers ter verantwoording moet kunnen roepen. We moeten voorkomen dat een lappendeken aan samenwerkingsverbanden ontstaat.”

Plasterk spreekt alsof hij al maanden op het ministerie zit. Als het gesprek over Curaçao gaat noemt hij schijnbaar achteloos artikel 43, lid 1 uit het statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden: dat elk land zelf verantwoordelijk is voor de deugdelijkheid van het bestuur. En als de drie bestuurslagen van Nederland ter sprake komen, verbetert hij: „We hebben zés bestuurslagen, hè. De stadsdelen, gemeenten, provincies, waterschappen, het rijk én Europa.”

Een van de leukste kanten aan zijn ministerschap vindt hij alle informatie die op zo’n departement te vinden is, zegt Plasterk. „Als je geïnteresseerd bent, en leergierig, is dit een ideale omgeving. Als ik ’s avonds roep dat ik iets niet begrijp, heb ik de volgende dag een nota met drie kantjes uitleg op mijn bureau.”

Ook de macht die hij heeft is groter. „Het verschil met het Kamerlidmaatschap ervaar ik als het overstappen van een auto zonder stuurbekrachtiging naar eentje mét. In een loodgieterstas vol documenten die ik op een avond mee naar huis neem, zitten meer besluiten dan je als Kamerlid in een maand tijd neemt.”

Paul Bordewijk zegt dat Plasterk het belangrijk vindt dat híj dit mag doen. „Dat hij in het centrum van de politiek zit.” En sommige oud-collega’s in de Tweede Kamer noemen hem een ijdeltuit.

Bent u een ijdeltuit?

„Ik heb vijfentwintig jaar in de wetenschap gezeten, daar loopt iedereen op flipflops en in spijkerbroeken. Die kritiek glijdt een beetje van me af, ik bekommerde me toen nul om mijn uiterlijk.”

Maar u wílde toch graag minister worden?

„Ja, natuurlijk. Maar daar past het woord ijdelheid niet bij. Ik zou het omgekeerde raar vinden: als je hier quasinonchalant over doet. Als je dit geen zwaar ambt, geen eer, geen grote verantwoordelijkheid vindt, volgens mij jok je dan.

„IJdelheid heeft voor mij met uiterlijke dingen te maken. Toen ik minister werd, realiseerde ik me pas dat je voortdurend met mensen op de foto staat, bijvoorbeeld als je ze een lintje geeft. En dat zij die foto lang bewaren. Dan hoort het erbij dat je je haar hebt gekamd en een pak draagt dat een beetje netjes zit. Dat is in mijn ogen perfectionisme. Maar dat moeten anderen maar beoordelen.”

U zei zelf eens dat het lastig is onderscheid te maken tussen ijdelheid en plichtsbesef.

Hij veert op. „Ja. Verantwoordelijkheidsgevoel, of plichtsbesef, is dat je zegt: het is belangrijk dat dit gebeurt. Maar daar zit dan altijd bij: en wel door míj, niet door een ander. Dat geldt toch voor iedere ambitieuze functie? Als een spits in een elftal niet zegt ‘geef míj die bal’ gebeurt er niks. Je wilt toch besturen, ervoor zorgen dat de dingen gebeuren zoals jij denkt dat goed is.”

U bent voor al uw banen gevraagd. Behalve voor het partijleiderschap, in maart. Die kandidatuur mislukte. Hoe teleurgesteld was u?

Plasterk knikt al voor de vraag is afgelopen. „Ja ja ja. Ik deed mee om te winnen. Ik had niet meegedaan als ik niet dacht dat ik een serieuze kans zou maken. De uitslag was ondubbelzinnig, maar niet iets om me voor te generen. Diederik had ongeveer één op de twee stemmen, ik één op de drie. Natuurlijk heb ik gebaald, maar dat was maar kort.”

Waarom werd u geen partijleider?

„Ik denk dat de leden altijd de neiging hebben om een contrast te zoeken met de voorganger. Dus na Wouter Bos, kwikzilvervlug, kwam de magistraat Job Cohen. En na Job, die Wilders niet met een snelle kwinkslag pareerde, zochten de leden iemand die jong en strijdlustig was. Dat profiel past beter bij Diederik dan bij mij. Omdat men dat contrast zo zoekt, denk ik achteraf dat die strijd voor mij niet te winnen was. Het verlies voelde ook niet als smadelijk of unfair.”

U blijft ambitieus?

„Dat is wel de bedoeling, ja. Iemand zei me laatst, je leeft maar duizend maanden. Dat klopt, als je ervan uit gaan dat je tachtig wordt. Nou, dat zijn er niet zoveel. Dan moet je toch elke maand maar proberen iets te doen waarvan je zegt: dat is het waard.”

    • Annemarie Kas