Registreren slachtoffers ramp blijft een 'zootje'

Een goede registratie van slachtoffers na een ramp is onhaalbaar. „Het is al twaalf jaar een zootje en dat zal voorlopig nog zo blijven”, zegt Ben Ale, hoogleraar veiligheid en rampenbestrijding aan de TU Delft. „We zullen er mee moeten leven dat als er honderd slachtoffers zijn, er tien tijdelijk kwijt zijn.”

Ale reageert op voorlopige conclusies van twee inspecties die het treinongeval van april dit jaar in Amsterdam hebben onderzocht. Twee treinen reden toen bij het Centraal Station frontaal op elkaar. Er vielen één dode en ruim honderd gewonden.

De Inspectie Veiligheid en Justitie en de Inspectie voor de Gezondheidszorg presenteren morgen hun bevindingen. De NOS bracht gisteren al enkele conclusies naar buiten.

Na het treinongeval wisten hulpverleners niet waar slachtoffers zich bevonden en werden gewonden naar verkeerde ziekenhuizen gebracht. Ook bij eerdere rampen gebeurde dit, zoals de vuurwerkramp in Enschede, de nieuwjaarsbrand in Volendam, het neergestorte toestel van Turkish Airlines en de schietpartij in Alphen.

Ale: „Het registreren van slachtoffers is erg ingewikkeld. Hulpverleners hebben andere prioriteiten dan barcodes op het hoofd van slachtoffers te plakken en die barcode in een computer in te voeren of door te bellen. Die staan in de regen met steriele handen de gewonden te verzorgen, en hebben daar geen tijd voor. Het is ook vaak lastig het slachtoffer meteen te vragen naar zijn identiteit. Dat gesprek vindt vaak pas plaats als de gewonde in een ambulance ligt. Dan is het te laat. Want die ambulances weten vaak ook nog niet waar ze heen gaan. Een meldkamer verdeelt de gewonden over ziekenhuizen.”

    • Arjen Schreuder