Nico Dijkshoorn over kunst kijken

Nico Dijkshoorn wil onze blik sturen, staat er zogenaamd bescheiden op de flap van Dijkshoorn kijkt kunst (Atlas/Contact, € 15,-). En wij willen kennelijk door hem gestuurd worden, want in de week van verschijning stond het boek meteen in de bestseller top 60 en zo rond Sint en Kerst zal het daar blijven. De vraag is waarom we gestuurd willen worden door Nico Dijkshoorn. Is de wekelijkse sturing bij DWDD, wanneer hij de gasten afzeikt (en in een enkel geval liefdevol neerzet), niet genoeg? Hebben we zijn sturing wel nodig in het Kröller-Müller Museum, bij de werken van Vincent van Gogh, Picasso (bij Dijkshoorn bekend onder de naam Piet Kasso) en Bart van der Leck?

Waarschijnlijk omdat er over de meeste werken al zo veel is gezegd, kan er best een losse interpretatie bij, eentje die op de lach mikt, in plaats van op de ernst en het intellect. Zo staat er bij Bart van Leck, Compositie 1918 no. 4, 1918, een schilderij dat bestaat uit gekleurde vlakjes in rood, geel, zwart en blauw: ‘en als ik / nou / alleen dat / gele vierkantje koop / wat kost / dat dan?’ Of bij een boerenmeisje in een vormloos schort van Henry van de Velde uit 1891: ‘misschien vind ik / naakt / op naaldhakken / toch / beter werken’.

Of – de leukste – een brief aan Medardo Rosso, over een kinderkopje (Kind in de zon, 1892). Dijkshoorn schrijft: ‘Hierbij reageren wij op het door u opgestuurde beeldje van onze zoon Dickie. Dat is niet helemaal geworden wat wij ons ervan voorstelden. Waarom zit er bijvoorbeeld nog moederkoek op het lichaam van Dickie? Wij hebben u uitdrukkelijk gevraagd om Dickie zo natuurgetrouw mogelijk te vereeuwigen en ook Dickie zelf herkent zichzelf niet in dit beeld. Dickie is een heel leuk, spontaan jongetje met sprekende ogen en niet de half verrotte winterwortel die u nu hebt zitten kneden. Graag opnieuw. Met beentjes en handjes en een gezichtje.’

Het museum, waarvoor deze teksten zijn ingesproken als audiotour voor bezoekers, is blij met de teksten, want ze trekken een ander publiek. Kennelijk is het best wanneer een pronkstuk uit de collectie wordt afgedaan als verrotte winterwortel.

In feite is dit boekje van Dijkshoorn gewoon een vervolg op het aloude cliché: is dat nou kunst, dat kon mijn zoon al maken toen ie drie was. Mijn dochter die de audiotour volgde denkt nu dat Mondriaan en Jean Arp om te lachen zijn.

Voor het overige zijn Dijkshoorns persoonlijke associaties nogal romantisch en melancholiek, van vakantiedromen tot jeugdherinneringen. Dus Dijkshoorn laat zien dat kunst om te lachen en om te mijmeren is. Hij trekt de werken helemaal naar zich toe.

Niets om je over op te winden en weinig mensen doen dat dan ook. Je kan zeggen dat het goed is dat Dijkshoorn kunst losmaakt van de geschiedenis. Hij is geestig en sommige teksten brengen je even op andere gedachten – maar in feite is dit boekje vooral het bewijs dat het allemaal niets meer uitmaakt wat je erover zegt. Waar de kunstwerken die Dijkshoorn uitkiest indertijd nog wisten te choqueren, doen ze dat allang niet meer. Dijkshoorn lokt geen protest uit, stelt het shockeffect niet aan de kaak, maar bevestigt gewoon dat moderne kunst in de meeste gevallen gemeengoed is geworden.