'Land- en tuinbouw goed voor 10 pct van economie en werkgelegenheid'

Nederland, Werkendam, 08-10-2010. Foto: Rob Huibers. Een boer oogst een veld met aardappels aan de Galeiweg in polder Noordwaard.

De aanleiding

Op 28 november stond in de carrièrebijlage van nrc.next in een kader bij een artikel over bedrijfsopvolging in de landbouw: „De Nederlandse land- en tuinbouw is goed voor 10 procent van de Nederlandse economie en werkgelegenheid.” Een dag eerder stond dit ook in NRC Handelsblad. Het is een percentage dat vaak wordt genoemd. Op de Wikipedia-pagina van Land- en Tuinbouworganisatie (LTO) Nederland: „De agrarische sector levert een bijdrage aan de Nederlandse economie van 10 procent en zorgt voor 8 procent van de werkgelegenheid in Nederland.” LTO-bestuurder Noud Janssen, afgelopen september in een column in LTO-ledenblad Nieuwe Oogst: „Land- en tuinbouw neemt ongeveer 10 procent van onze economie voor haar rekening.” De website van de Limburgse Land- en Tuinbouwbond: „Je ziet het er misschien niet aan af, maar de land- en tuinbouw draagt voor 10 procent bij aan de totale welvaart van Nederland.” En website nederlandbloeit.nl: „Onze land- en tuinbouw draagt 10 procent bij aan het bruto nationaal product.” nrc.next-lezer Eric van der Aa wil weten of het percentage klopt. We checken of de Nederlandse land- en tuinbouw goed is voor 10 procent van de Nederlandse economie en werkgelegenheid.

Waar is het op gebaseerd?

De bron van het percentage in nrc.next en NRC Handelsblad is de website van de Rijksoverheid. Hier staat: „De Nederlandse landbouw en tuinbouw zijn goed voor 10 procent van de Nederlandse economie en werkgelegenheid.” Een woordvoerder van het ministerie van Economische Zaken laat weten dat het percentage gebaseerd is op het rapport Landbouw-Economisch Bericht 2012, dat afgelopen juni is uitgebracht door het Landbouw Economisch Instituut (LEI) in Den Haag, onderdeel van Wageningen UR. Dit jaarlijkse onderzoek geldt als een van de belangrijkste rapporten op het gebied van landbouweconomische cijfers in Nederland. Op pagina 51 staat: „In 2010 droeg het Nederlandse agrocomplex 10 procent bij aan de toegevoegde waarde van de Nederlandse economie en 10,2 procent aan de Nederlandse werkgelegenheid. Naast de primaire land- en tuinbouw omvat het complex de verwerking en distributie van agrarische producten en de toelevering van producten en diensten die hiervoor nodig zijn, zoals energie, kunstmest, veevoer en zakelijke dienstverlening.” In absolute aantallen was de toegevoegde waarde (marktwaarde van de productie minus de grond- en hulpstoffen) van het Nederlandse ‘agro industrieel complex’ in 2010 52,5 miljard euro (en 689.000 voltijdbanen).

En, klopt het?

De passage op de website van de Rijksoverheid suggereert dat de land- en tuinbouw primair goed is voor tien procent van de Nederlandse werkgelegenheid en economie. Dat klopt niet. Zoals staat beschreven in het Landbouw-Economisch Bericht 2012 gaat het hier over de gehele Nederlandse agro-industrie, onder meer inclusief de verwerking, toelevering en distributie van buitenlandse grondstoffen. Een voorbeeld: de verwerking van buitenlandse cacao, soja en koffie door voedingsmiddelenconcern Unilever valt hier onder, terwijl er geen Nederlandse land- of tuinbouwer aan te pas komt. Het aandeel buitenlandse grondstoffen in het Nederlandse agrocomplex is fors, zo blijkt uit het rapport: 22,4 miljard euro (4,3 procent toegevoegde waarde aan Nederlandse economie). „We importeren veel agrarische grondstoffen, halffabricaten en voedsel die we, al dan niet na bewerking, doorvoeren naar het Europese achterland”, schreef voormalig staatssecretaris van Economische Zaken Henk Bleker (CDA) begin dit jaar in een brief aan de Tweede Kamer. „Waarde toevoegen aan grondstoffen en halffabricaten is de kern van het Nederlandse verdienmodel in de agrofoodsector.”

Naast buitenlandse grondstoffen is ook het geld dat wordt verdiend met de distributie zelf, dus bijvoorbeeld het laten rijden van vrachtwagens, meegenomen in de cijfers. En ook de arbeid die nodig is voor de distributie telt mee in de werkgelegenheidscijfers.

Het percentage wordt niet genuanceerd op de website van de Rijksoverheid: nergens staat dat het om de gehele industriële voedselketen gaat. De eindredacteur van het Landbouw-Economisch Bericht 2012, LEI-onderzoeker Petra Berkhout, bevestigt dat de passage op de website van de Rijksoverheid niet klopt. In het rapport staat wat de Nederlandse land- en tuinbouwsector in 2010 primair aan toegevoegde waarde opleverde: zeven miljard euro, dat is 1,3 procent van de totale Nederlandse economie. En er waren in 2010 151.000 voltijdbanen, primair in de land- en tuinbouw, wat neerkomt op 2,2 procent van de totale werkzame beroepsbevolking in Nederland.

Conclusie

Op basis van de website van de Rijksoverheid schreef onder meer deze krant dat de land- en tuinbouw goed is voor 10 procent van de Nederlandse economie en werkgelegenheid. Het rapport waar het ministerie van Economische Zaken zich op baseert, is veel genuanceerder: het betreft de gehele Nederlandse agro-industrie, inclusief de verwerking en distributie van (buitenlandse) agrarische producten. De primaire toegevoegde waarde van de land- en tuinbouwsector is een stuk lager dan de Rijksoverheid schrijft, zo blijkt uit het rapport: 1,3 procent. Ook het aandeel in de totale werkgelegenheid is veel minder: 2,2 procent. Wij beoordelen de bewering daarom als grotendeels onwaar.

    • Steven Verseput