Een taal is een dialect met een leger

Ik sta zelden met plezier in de file, maar vorige week was dat zo. Reden: vier cd’s van Home Academy, net verschenen, met daarop een hoorcollege van Marc van Oostendorp over veranderingen in de Nederlandse taal. Titel: Taalverloedering.

Taalverloedering is een onderwerp dat veel lezers van deze rubriek bezighoudt. Althans, ik krijg er bijna wekelijks post over. Veel lezers ergeren zich groen en geel aan spelfouten (niet alleen in deze krant), aan het beroerde Nederlands dat je hoort op radio en tv, aan slechte uitspraak en aan de tsunamische toevloed van Engelse woorden en uitdrukkingen. Zo nu en dan krijg ik het dringende verzoek – soms zelfs de opdracht – om deze verloedering persoonlijk een halt toe te roepen.

Daar voldoe ik overigens graag aan, dus hier nogmaals: stop daarmee, kappen met die handel, tot hier en niet verder!

Van Oostendorp is senior-onderzoeker op het Meertens Instituut en hoogleraar Fonologische microvariatie aan de Universiteit Leiden. Die wetenschap onderzoekt de kleinste taalverschillen, bijvoorbeeld de verschillende L-klanken die in het Nederlands zijn ontstaan aan het eind van een woord. Nederlanders van boven de veertig gebruiken bijna altijd de ‘l’ zoals in ‘lopen’. Zij zeggen dus ‘melluk’. Maar Nederlanders onder de dertig rekken de ‘l’ niet meer; zij gebruiken een soort ‘w’-klank en zeggen dus ‘mewk’.

Je kunt dat taalverloedering noemen, maar Van Oostendorp ziet het vooral als een verandering of variatie, zoals er talloze varianten van het Nederlands zijn. Hij begint zijn college met een prikkelende vraag, namelijk: als het Nederlands nu verloederd is, wanneer was het dan nog wel mooi en zuiver? Vijftig jaar geleden? Honderd jaar geleden?

We kunnen ongeveer duizend jaar terugkijken, tot voorbij ‘hebban olla vogala’, maar hoever we ook terugkijken, we zien dat het Nederlands altijd aan het veranderen was en altijd beïnvloed is geweest door andere talen. Het zuivere Nederlands waar veel mensen naar terugverlangen, stelt hij, heeft dus misschien nooit bestaan.

Van Oostendorp spreekt op de cd’s rustig maar toch met veel enthousiasme. Hij laat geregeld geluidsfragmenten horen. Van dialectsprekers, immigranten, sprekers van het Petjoh (een creoolse taal die in Nederlands-Indië door zogenoemde indo’s werd gesproken) en van jongeren die straattaal spreken. Zo horen we bijvoorbeeld een Turkse jongen van zeventien die, voor de gein, even het Nederlands van een jongen uit Irak nadoet, maar dan met een Marokkaans accent. Het zijn fascinerende ‘microvarianten’, die ik zelf nooit zou kunnen duiden, maar Van Oostendorp legt ze haarfijn uit.

In feite marcheert hij met grote stappen door duizend jaar geschiedenis van het Nederlands. Hij spreekt over het ontstaan van de standaardtaal, de oorsprong van taalnormen, de oorzaak van spellingdebatten, de juridische status van het Nederlands (het Fries is wettelijk beter gewaarborgd dan het Nederlands), de verschillen tussen taal en dialect („een taal is een dialect met een leger en een marine”), de belangrijkste dialectgroepen in Nederland, de huidige dialectrenaissance (steeds meer liedjes in dialect en bankreclames waarin een regionaal accent betrouwbaarheid moet uitstralen) en over de invloed van techniek op taal. De telefoon heeft veel meer invloed op het Nederlands gehad dan radio en tv, stelt Van Oostendorp, en we maken ons onterecht zorgen over de invloed van chattaal.

Alles bij elkaar vond ik dit hoorcollege leerzaam, verfrissend en meerdere files waard.

Taalverloedering: op cd €34,95; mp3 €27,95.

Ewoud Sanders schrijft wekelijks op deze plek over taal.