De minst gevaarlijke optie

Voor het IJzeren Gordijn over Europa neerdaalde, waardoor de helft van het continent voor vier decennia in de verstikkende greep van de Sovjet-Unie kwam, hadden de Amerikanen en de Britten zich daar al bij neergelegd. Ze hadden andere prioriteiten.

Met die nuchtere constatering begint Anne Applebaum haar boek Iron Curtain; The Crushing of Eastern Europe 1944-1956. Het was geen kwade wil, schrijft ze, maar de Amerikaanse president Roosevelt had nu eenmaal de medewerking van de Sovjet-Unie nodig bij het opzetten van de Verenigde Naties. En ook de Britten wilden geen oorlog met Moskou riskeren: Churchill besefte maar al te goed hoe verzwakt zijn land uit de Tweede Wereldoorlog was gekomen.

En dus kon de Sovjet-Unie in Midden- en Oost-Europa haar gang gaan. Dat was bitter voor Oost-Duitsers, Polen, Hongaren en anderen. Maar het Westen had de deling van Europa geaccepteerd. Gezien de omstandigheden was dat de minst gevaarlijke oplossing – alleen hebben veel mensen achter het IJzeren Gordijn daar jarenlang een hele hoge prijs voor betaald. Ook toen er in 1953 stakingen en rellen uitbraken in Oost-Berlijn, in 1956 de Hongaren in opstand kwamen en in 1968 de Tsjechen, bleef het Westen nadrukkelijk militair afzijdig.

Bij de burgeroorlog in Syrië, die ruim anderhalf jaar geleden begon met een vreedzame opstand, zijn al zo’n 40.000 mensen opgekomen. En de wereld kijkt lijdzaam toe, zoals voorstanders van een militaire interventie verbitterd zeggen. Het Westen moet ‘iets doen’, vinden zij: een no-flyzone instellen, wapens leveren aan de opstandelingen, ervoor zorgen dat president Assad verdwijnt – als er maar iets gebeurt om de geweldsspiraal te doorbreken.

Maar hoe huiverwekkend de berichten uit Syrië ook zijn, de Verenigde Staten en Europa hebben voorlopig geen gehoor gegeven aan de roep om interventie. Zolang het Syrische regime maar geen chemische wapens gebruikt is afzijdigheid de minst gevaarlijke optie. Al was het maar omdat de Syrische oppositie nog altijd verdeeld is, omdat totaal onduidelijk is wat voor regime op de val van Assad zal volgen, laat staan wat de gevolgen zijn – voor Syrië, de regio en de internationale verhoudingen – als het Westen zich gewapenderhand in de strijd mengt. Dat de geweldsspiraal daarmee doorbroken kan worden, valt ernstig te betwijfelen. Het gevaar dat het conflict zich alleen maar uitbreidt, is reëel.

En dus beperkt het Westen zich tot zuchten en steunen, tot sancties en diplomatieke pogingen het regime onder druk te zetten. De Patriot-luchtafweersystemen die naar de Turkse grens met Syrië worden gestuurd zijn symbolische blijken van steun aan Ankara.

Maar die Patriots symboliseren ook de passieve Westerse opstelling: zo lang de oorlog maar in Syrië blijft, gaan wij ons er niet in mengen. Dat is bitter voor de Syrische oppositie, maar een rationele afweging voor het Westen – pijnlijk, maar Realpolitik, net als het accepteren van de Europese deling in de Koude Oorlog.

Historische vergelijkingen gaan altijd mank, maar we ontkomen er niet aan. Zelfs politieke hoofdrolspelers laten zich er door leiden. Toen Madeleine Albright onlangs in Nederland was, zei ze dat het denken van haar generatie gevormd is door het trauma van de Vietnam-oorlog, een moeras waaruit de Amerikanen zich alleen met de grootste moeite konden losmaken. Decennialang werkte het als waarschuwing tegen militair ingrijpen. Anders dan haar generatiegenoten was Albright zélf gevormd door ‘München’, de Britse en Franse appeasement van Hitler. Voor haar was de les: door niet in te grijpen kan je medeplichtig worden aan het kwaad. Diezelfde les trok een jongere generatie uit de genocide in Rwanda, toen de wereld toch weer afzijdig was gebleven.

Nu is er wéér een andere historische parallel die het denken over ingrijpen kleurt: de grootschalige oorlogen in Irak en Afghanistan zijn een schrikbeeld dat niemand over wil doen. Zo laat het Westen de burgeroorlog in Syrië maar voort woeden. Voorlopig de minst slechte optie – maar wel één waarvoor veel Syriërs een hele hoge prijs betalen.