Opinie

    • Frits Abrahams

Bij de pupillen

Hebben ze in de voetballerij hun lesje geleerd na de fatale mishandeling van de grensrechter in Almere?

Nee, zei afgelopen vrijdagavond Sparta-speler Deekman en hij ging op de buik van een Excelsior-speler staan. Nee, zei ook Sparta-trainer Vonk die de rode kaart van scheidsrechter Van den Kerkhof overdreven vond.

Met veel goede wil kon je de handeling van Deekman nog als onhandige lompheid beschouwen, maar die rode kaart was ook dán onvermijdelijk. „Ik zou me schamen als ik bij Sparta hoorde”, zei tv-commentator Jan van Halst, „als je niet weet dat je dat, juist in deze week, niet kunt maken…”

In andere weken liever ook niet meer, maar ik vrees dat we ons daarover geen illusies hoeven te maken. Het geweld op de velden zal doorgaan, soms veroordeeld, vaker door de vingers gezien. Ik werd er niet optimistischer op toen een vriend van mij zijn verhaal deed over een recente voetbalervaring in zijn woonplaats, een kleine provinciestad. Het gebeurde twee weken vóór het incident in Almere.

„Ik ben met de voetballerij gestopt”, zei hij tegen me. Dat verbaasde me, want ik herinnerde me nog goed met hoeveel toewijding hij zich erop gestort had. Zijn 7-jarige zoontje wilde ‘op een voetbalclub’ en hij besloot hem en een groepje andere kinderen te begeleiden als trainer – dit op verzoek van de club. Het ging om de F-pupillen, jongens en meisjes van 6 en 7 jaar.

Op een dag was mijn vriend, zoals wel vaker, scheidsrechter bij een wedstrijd van deze kinderen, onder wie zijn zoontje. Een markante bijkomstigheid: de kinderen waren van dezelfde club, er was dus geen sprake van rivaliteit tussen verschillende clubs. De wedstrijd duurde 2 x 20 minuten en speelde zich af op de helft van het veld. Mijn vriend zag zich genoodzaakt tijdens de eerste helft een strafschop te geven. Een jongetje had een tegenstander van achteren gevloerd.

Meteen kwamen vijf mannen – ouders van het bestrafte team plus de leider van dat team – het veld op. „Wat doe je nou, man”, riepen ze, „zo erg was het helemaal niet.” „Dit mag nu eenmaal niet”, zei mijn vriend, „en we kunnen het ze nu nog afleren. Penalty dus.” De mannen vonden ook dat het te ver van het doel was gebeurd – er waren geen afgebakende strafschopgebieden – maar mijn vriend hield voet bij stuk. „Het was wel degelijk dichtbij het doel gebeurd.”

Morrend verdwenen de mannen naar de kant, waar ze vanaf dat moment het gezag van de scheidsrechter luidkeels probeerden te ondermijnen. Zodra er bij het doel van de tegenpartij lichamelijk contact was, riepen ze: „Nou moet je óók een penalty durven geven.”

De rust brak aan. Mijn vriend wilde het veld aflopen toen de vijf mannen weer op hem afkwamen. Ze namen een ronduit dreigende houding aan. „Als je de tweede helft weer zó fluit, weten we je te vinden”, zeiden ze. En: „Je mag wel oppassen.” Mijn vriend had geen trek meer in de tweede helft. „Zoek het maar uit, ik ga naar huis”, zei hij en ging met zijn zoontje weg.

Hij stuurde een mail naar het bestuur van de club waarin hij uitlegde waarom hij er voorgoed mee ophield. Er kwam geen reactie. Alleen van een elftalcoördinator hoorde hij dat er vaker dergelijke problemen waren geweest.

Zeker allemaal Marokkanen? Dezer dagen een bekende vraag in Nederland. „Er was één allochtoon bij’’, lachte mijn vriend, „de andere vier waren raszuivere Hollanders.”

Tot zover het pupillenvoetbal.

    • Frits Abrahams