Opinie

    • Maxim Februari

Aplomb, bombast en branie

We hebben het allemaal weleens meegemaakt; de belangrijke en vooraanstaande intellectueel, de machtige voorzitter van de winkeliersvereniging, de prominente man die tegenover je aan tafel twee uur lang blij over zichzelf zit te praten en dan stilvalt: ‘Wat doe jij eigenlijk?’

En dat je dat dan niet meer weet.

Ach, neem me niet kwalijk, ik ben brommerig. Weliswaar staat mijn ontvanger afgestemd op het wereldnieuws, maar veel geluiden die ik binnenkrijg, zijn van een andere frequentie. Ik laat me overbluffen door de bravouretaal waarin veel illustere mensen spreken. Gisteren zat ik aan tafel tegenover een verkoper van zeilboten. Toen ik na zijn lange monoloog over de wereld eindelijk ook iets had mogen zeggen, wuifde hij dat met zijn rechterhand meteen weer weg en hij zei zonder een spoor van twijfel: „Dat is helemaal niet waar.”

Het aplomb!, dacht ik. De aanmatiging! De verwatenheid! Geloof me, ik wil best praten over het wereldnieuws, maar er schiet me vandaag niets te binnen, de zelfverzekerdheid van anderen stoort mijn rommelige gedachten. Mijn hoofd bromt als een oude radio, op de voorgrond klinkt het jankende geluid van de Mexicaanse hond.

In het woordenboek heeft het begrip ‘aplomb’ een positieve klank. Het verwijst naar deugden als standvastigheid en evenwichtigheid. Aplomb is de ultieme test voor gaaf en cool zijn, lees ik ergens. Wie handelt met aplomb, wankelt misschien zo nu en dan, maar richt zich als een duikelaar weer op, er is niets dat haar onderuit kan halen voor langer dan een paar seconden. Met aplomb zijn mensen onverzettelijk.

Niettemin heb ik er een flinke hekel aan. Aplomb, bombast en branie, deze drie, maar de ergste van deze is aplomb. Door het gewicht dat eminente sprekers aan hun woorden geven, hoor je nooit meer iets anders dan succesverhalen, reclamepraat, ronkende speeches over organisaties die de boekhouding honderd procent op orde hebben, universiteiten die tot de top drie van de wereld behoren, politieke analyses die de spijker op de kop slaan, iedereen is altijd verschrikkelijk tevreden met zichzelf.

Terwijl we afstevenen op steeds grotere mislukkingen. Hoe drukker de wereld, hoe sneller de ontwikkelingen, hoe onvermijdelijker dat meer en meer dingen mis zullen gaan. Zou het niet verstandig zijn ook eens te leren struikelen en vallen? Zonder dat je meteen weer terugveert door je eigen opgeblazenheid?

In de vorige eeuw bedachten architecten Brett Steele en Mark Wigley een opleidingsinstituut waar mensen zich zouden kunnen bekwamen in falen. Ze verdubbelden het collegegeld van universiteiten als Harvard en MIT – want leren falen is een dure grap – en trokken daarmee geen enkele student. Toch was het een boeiend plan. En het kwam niet voor niets voort uit de wereld van de kunsten: kunstenaars boeken vooruitgang door hun eigen fouten en mislukkingen te recyclen.

In mijn duistere kunstarchieven, waarin ik al decennialang alles opsla over vernieling, mislukking, verdwijning en het uitblijven van voltooiing in de kunst, zit een verwijzing naar het project Art Bin (kunstafvalemmer) van Michael Landy. De kunstenaar zette twee jaar geleden een grote bak in een galerie en verzocht collega’s hun mislukte en waardeloze werken daarin te komen wegsmijten. Onder anderen Tracey Emin en Damien Hirst voldeden aan het verzoek.

Nu kun je zeggen dat het makkelijker is je mislukkingen toe te geven als kunstenaar dan als ambtenaar of ondernemer, omdat je je in andere geldstromen beweegt. Een mislukt schilderij is niet hetzelfde als een mislukt spoorwegplan. Toch is de artistieke fascinatie met miskleunen en nederlagen een leerzame inbreuk op een cultuur die economische voorspoed koppelt aan succesverhalen en aan de eindeloze vermeerdering van reclame.

Deze dagen waait de klacht door het nieuws dat jongeren geen gezag of autoriteit meer aanvaarden. Niet van leraren, niet van scheidsrechters of politieagenten. Je kunt je met recht afvragen of de dominantie van aplomb hieraan niet debet is. Alle poeha en egobevestiging aan de bovenkant van de samenleving – het altijd gelijk hebben, het nooit aarzelen, het elkaar voortdurend op de schouders slaan – is doorgesijpeld naar de jeugd en de straat en daar zorgt al die misplaatste zelfverzekerdheid voor nog meer schade.

Gisteren wilde ik de zeilbotenverkoper niet laten winnen, met zijn monoloog en zijn ‘dat is helemaal niet waar!’, en dus haalde ik diep adem, legde alle bravoure waarover ik beschik in mijn stem, en ik zei: ‘Het is wel waar!’ Tot mijn verrassing nam hij er ogenblikkelijk genoegen mee. En zo was het pleit zonder verdere argumentatie of uitwisseling van informatie beslecht, dankzij mijn ongefundeerde claim op beter weten. In feite is aplomb niet anders dan onverdiend gezag.

Vandaag had ik iets willen zeggen over het wereldnieuws, maar dat is me niet gelukt; en die bekentenis zou bescheiden zijn, als bescheidenheid in deze context niet zo ijdel was. Kom er maar eens uit, uit de duivelse cirkel van de eigendunk. Het is voldoende om brommerig van te worden.

Maxim Februari is filosoof en schrijver.

    • Maxim Februari