Zweven in een luchtbel

Voor zweefvliegen is wind, thermiek en mankracht nodig. ‘Volg de vogels. Die zitten goed.’

Zaterdag zweefvliegdag. Zondag ook. Dan komen een stuk of dertig van de 250 leden van de Zuidhollandse Vliegclubs (ZHVC) ’s ochtends bijeen in hun houten clubhuis op Vliegbasis Valkenburg, roezemoezend rond de bar en de prijzenkast. Zeg in dit gezelschap niet hardop dat zweefvliegen een solistische sport is. Ze komen hier elke weekendochtend om samen een dag te vliegen. Samen is gezelliger, maar vooral: in je eentje kom je de lucht niet in. Er is iemand nodig die de lier bedient, dat is de kabel die het zweefvliegtuig vanaf de grond de lucht in trekt. Iemand moet de auto besturen waarmee de lierkabels worden uitgereden. De vleugels moeten op de vliegtuigen worden gemonteerd en de vliegtuigen moeten van de hangar naar de startplek geduwd. Tiplopers houden een van de vleugeleinden vast tot het toestel genoeg vaart heeft. Daarom wordt iedereen op de club geacht een groot deel van de dag te blijven om de anderen de lucht in te helpen.

Voor lange zweefvluchten is warm weer nodig. Dan zijn er de meeste thermiekkolommen – warme, opstijgende lucht waarin zweefvliegtuigen kunnen klimmen. Maar vliegen in de winter gaat ook prima, zelfs als er een beetje sneeuw op de startbaan ligt. Na november zijn er weinig thermiekbellen meer te verwachten, en dus ook geen clubleden die daar een half uur of langer in blijven ronddraaien. Iedereen is lekker snel weer beneden. Een nieuwe winter nadert, dus de schaatsen gaan uit het vet, de ski’s worden gewaxt én we gaan zweefvliegen.

Om negen uur ’s ochtends roept de dienstdoend instructeur, Jeanette van Horssen, iedereen naar buiten voor instructies. Het wordt een stralende dag, zegt ze, maar met weinig tot geen thermiek. Ze telt opgestoken handen. „Hoeveel leerlingen hebben we? Eenentwintig.” Alle toestellen gaan mee, ook de Discus en de 436. „Hoe hoog mogen we vandaag?” vraagt ze. De luchtverkeersleiding op Schiphol bepaalt hoe hoog zweefvliegtuigen kunnen klimmen zonder het lijnverkeer te storen. Iemand weet het: „2.500 voet boven Valkenburg, 2.000 boven Ypenburg en Hoek van Holland.” Jeanette van Horssen: „Goed, 750 meter. Wie gaat de lier opstellen? En een startofficier is wel wenselijk.” Een startofficier regisseert de vluchten vanaf de grond.

Een half uur later. Drie solokisten en twee tweezitters liggen gereed in het gras. „De afwisseling van opperste concentratie om in de lucht te blijven en de fysieke arbeid op de grond, vind ik een van de charmes”, zegt Wim Andréa (46), voorlichter van de ZHVC en directeur bij een internetbureau. Hij vliegt sinds veertien maanden, heeft er 70 ‘starts’ op zitten. Hij slaat zijn logboek open. „Hier… 6 minuten, 7 minuten, 5 minuten, een kwartier, 13 minuten, 24 minuten... In juli was ik mee op kamp naar Duitsland, daar heb ik 53 en 48 minuten gemaakt.”

Er staat vandaag nauwelijks wind. De lier trekt het toestel dan hooguit tot een meter of 400 in plaats van 500. Andréa: „Vergelijk het met een vlieger. Die komt ook niet heel hoog zonder wind.” Omdat er ook weinig thermiek is, wordt het een korte-vluchtendag. Andréa vindt dat een voordeel. „Ik moet beter leren landen voordat ik solo mag vliegen, dus ik wil veel korte vluchten maken.”

Warme kant

Daan Fokker (25), student lucht- en ruimtevaarttechniek in Delft, zweeft sinds vier jaar en heeft zijn brevet. In maart 2010 vloog hij in de Alpen, bij Aosta – in een tweezitter van de ZHVC die gedemonteerd in een trailer achter de auto was meegenomen. Waarom helemaal naar de Alpen? Fokker: „Bij zonlicht is er in de bergen veel thermiek doordat een deel van de hellingen wordt beschenen en een ander deel niet. Aan de warme kant gaat de lucht omhoog, aan de koude kant naar beneden.” Voordeel van de Alpen is ook dat er minder hoogtebeperkingen gelden dan in het overvolle Nederlandse luchtruim. En luchtstromen komen er soms op zo’n manier samen dat je kilometers rechtdoor kan stijgen op golfthermiek in plaats van cirkelend. Soms stegen we met vijf meter per seconde, alsof je recht naar boven fietste. We maakten vluchten van vier uur, op kilometers hoogte. We gingen terug omdat het te koud werd – niet omdat er geen thermiek meer was.”

„Zweefvliegen is net zeilen”, zegt Wim Andréa. „Maar dan met een derde dimensie erbij.” Niet alleen naar voren en opzij, maar ook omhoog. Instructeur Jeannette van Horssen: „Buizerds voelen precies waar de thermiek zit om te kunnen stijgen. Meeuwen en ooievaars ook. Volg de vogels, die zitten goed. Maar het blijft zweefvliegen. Soms verlies je te veel hoogte om de bel te bereiken.”

„Heb je een zonnebril?”, vraagt Robert de Haas (23), afgestudeerd HBO’er luchtvaarttechniek. We kruipen in de PH-795, de kap gaat dicht, een tiploper houdt de linkervleugel vast, in de verte spant de lierist de kabel. Braakzakken zijn onder handbereik. We gaan! Een paar tellen met veel lawaai over het gras en dan zo steil omhoog dat je alleen lucht ziet. Na 37 seconden, op 380 meter hoogte, gooit De Haas de kabel los. We zien Wassenaar, het strand, de zee, Den Haag, de pier. „Misschien zit er onder die wolk daar wat thermiek”, zegt de piloot tegen een geluidsdecor van zacht zoevende luchtstromen. Een wolk markeert vaak de bovenzijde van een kolom stijgende lucht, maar om daar te komen moet je eerst door een pakket dalende lucht. De wolk maakt zijn belofte niet waar, er zit geen thermiek onder. „Vier minuten, langer kan ik het niet van maken”, zegt De Haas.

In de lucht, op 200 meter hoogte, stuurt Wim Andréa met een instructeur als passagier een tweezitter naar het ‘aanknopingspunt’, een vaste plek in de lucht waar landingen altijd worden ingezet. Daar gaat hij ‘op circuit’: een vaststaand parcours naar de landingszone. Een vaste aanvliegroute verkleint de kans dat de zweefvlieger de landingsbaan niet bereikt, en vervolgens bovenop een koe knalt of in een weiland vol greppels.

Zweefvliegen is geweldig, betaalbaar en een sociale bezigheid bovendien – maar hoe moeilijk is het? Kan iedereen dit? Jeannette van Horssen, dochter, echtgenote én moeder van zweefvliegers: „Mijn zoon van 14 vloog al na 22 starts solo. Wanneer je solo kan vliegen, verschilt per persoon. We hebben cursisten die al een eeuwigheid les krijgen. En bij sommigen zie je meteen die vliegershand.”