Wat blijft er nog over van de ? journalistiek

Gratis internet vervangt steeds vaker betaalde kranten. Waar blijft betrouwbaar nieuws? De politiek moet zich niet alleen richten op de omroep maar op de gehele journalistiek, vindt H.M. van den Brink.

Illustratie Wendy Panders

Bestaat de papieren krant nog over tien jaar?

‘Nee.’

Het antwoord is niet van mij maar van Tina Brown. Mevrouw Brown is de hoofdredacteur van Newsweek. Een ooit vermaard en veel verkocht weekblad, dat overigens nog altijd anderhalf miljoen exemplaren per week omzet, maar het zich bij die oplage niet meer kan permitteren om in druk te verschijnen. Te duur. Er komt een digitale versie.

Het is op een vreemde manier prettig om haar te kunnen citeren als het om zulk somber nieuws gaat. Het hoort namelijk bij een traditionele opvatting van gedegen journalistiek: liever een expert quoten dan zelf een mening geven. Tina Brown was voor ze haar huidige betrekking aannam hoofdredacteur van ondermeer Vanity Fair en The New Yorker. Met haar man Harold Evans, voormalig hoofdredacteur van The Times en auteur van een hele reeks gezaghebbende boeken over journalistiek, vormt ze al jaren een media power couple. Dus me dunkt.

Al even traditioneel is trouwens de stelregel dat kranten de lezer niet met hun eigen besognes lastig vallen. Net als de Engelse gentleman vormen ze maar twee keer in hun leven zelf het nieuws: bij hun geboorte en bij hun dood. Maar het kan niemand zijn ontgaan dat de media het de laatste jaren in toenemende mate over zichzelf en over elkaar hebben. Overal in de westerse wereld is dan ook het Grote Sterven begonnen: jaarlijks verdwijnen er tientallen dag- en weekbladtitels, soms met grote reputaties, als gevolg van een slinkend en vergrijzend lezerspubliek plus wegvallende reclame-inkomsten. Duizenden journalisten moeten op zoek naar een nieuwe baan, terwijl intussen ook bij de radio en de televisie de spoeling steeds dunner wordt en meer werk met minder mensen moet worden gedaan. Het gevecht om aandacht en geld tussen de traditionele media is letterlijk moordend geworden en daarbij gaan ze paradoxaal genoeg steeds meer op elkaar lijken in hun vaak krampachtige pogingen een zo groot mogelijk publiek te behagen of tenminste nog een tijdje vast te houden. Liefst publiek dat koopkrachtig en dus ook voor adverteerders interessant is. Ze doen dat met meer consumenteninformatie, showbizznieuws en opinies (liefst van personalities), met speciale rubrieken en bijlagen in plaats van hard nieuws, feiten. En dat verwijten ze dan elkaar.

Lees bijvoorbeeld de felle kritiek van Jan Kuitenbrouwer en Bas Heijne de afgelopen weken op het televisiejournaal. Of volg in De Groene Amsterdammer de felle woordenwisseling tussen Geert Mak en Peter Vandermeersch, respectievelijk oud-medewerker en huidig hoofdredacteur van deze krant. Kritiek op vervlakking en een overmatige aandacht voor de verkoop van luxeproducten aan de ene kant, gepareerd met het verwijt van behoudzucht en gebrek aan durf om te vernieuwen anderzijds. Het is allemaal waar. Zoals het ook waar is dat de journalistiek zowel in de gedrukte pers als op radio en televisie in een aantal opzichten beter is dan tien en twintig jaar geleden: beter geschreven, sneller en vollediger. Intussen gaat het debat voorbij aan het onderliggende probleem: er is maar één plek waar de aandacht en de budgetten almaar blijven groeien. En dat is het – ook voor de journalistiek – o zo nuttige, maar voor de oude mediabedrijven vermaledijde internet.

Internet heeft het ‘verdienmodel’ voor de traditionele journalistiek onderuit gehaald. Adverteerders hebben natuurlijk nooit de bedoeling gehad om de samenleving van gedegen nieuws en achtergronden te voorzien, liefst nog gekruid met een snufje verheffende cultuur. Ze wilden destijds, net als nu, hun schoenen en hun auto’s verkopen. Maar de krant en later ook radio en televisie hadden een monopolie op het bereiken van publiek. De adverteerders hadden geen nieuws nodig, maar contact met de consument en en passant subsidieerden ze het nieuws. Het internet heeft die hechte kolom definitief gebroken door de mogelijkheid om rechtstreeks zaken te doen met de consument, zonder dat die zelfs maar naar de winkel hoeft. En niet alleen wordt hij bereikt, hij kan ook rechtstreeks reageren. Het onderscheid tussen ‘uitgeven’ (krant, radio, tv) en communiceren (telefoon) is daarmee opgeheven.

Maar zo dom is die burger toch niet? Wil hij niet ook voor nieuws, achtergrond en opinie betalen? Jazeker. Maar niet zoveel als voorheen. Hij hééft immers al betaald. Voor zijn computer, zijn tablet, zijn smartphone en ook voor zijn telefoonabonnement en zijn kabelaansluiting. Met andere woorden: hij heeft al een krant, in de vorm van een scherm, en de lege pagina’s daarvan worden met graagte en door een ontelbaar aantal aanbieders op het wereldwijde web gevuld. Ook het nieuws is gratis en is veel meer en veel sneller dan hij ooit tot zijn beschikking heeft gehad. Al komt het grootste deel van dat aanbod, alweer, neer op een eindeloze hoeveelheid van gerecyclede berichten.

Steeds meer nieuwe aanbieders van informatie zijn organisaties die vroeger slechts dienstbaar waren aan de keten: distributeurs zoals de kabelbedrijven die nu eigen programma’s gaan maken, of Google, Apple, Microsoft, Facebook en YouTube die redacteuren gaan inhuren om het publiek te geven wat het verlangt. Namelijk veel informatie, zo goedkoop mogelijk en zoveel mogelijk toegesneden op het eigen behoefteprofiel. Niemand, zo schreef vorig jaar een voormalig hoofdredacteur van The Guardian, zou immers in deze tijd nog dat hybride ding uitvinden dat wij ‘de krant’ noemen. Dat vreemde vehikel met buitenlands nieuws over landen waarvoor je je niet interesseert, een kookrubriek voor mensen die nooit koken, een tuinrubriek voor mensen zonder tuin – en ga zo maar door. Geen wonder dat niet alleen de fysieke vorm van de krant maar ook de formule het moeilijk heeft. Bestaande uitgevers kunnen niet vanaf nul opnieuw beginnen met hun grote redacties en hun ingesleten gewoontes. Ze zijn in de verdediging. En de razendsnelle evolutie van de mediatechnologie in de afgelopen decennia lijkt erop te wijzen dat bedrijven, hoe machtig en kapitaalkrachtig ook, bijna wetmatig niet in staat blijken om de volgende transitie te implementeren.

IBM wist de opkomst van de personal computer niet te voorspellen, de fabrikanten van pc’s konden de almacht van Microsoft niet voorkomen, Microsoft bedacht Google niet, maar Google slaagde er niet in YouTube te creëren, terwijl YouTube en zelfs Apple worstelen met de populariteit van mobiele applicaties: Twitter was een gedachtesprong te ver. Het jongste voorbeeld: ’s werelds machtigste mediamagnaat, Rupert Murdoch, heeft geprobeerd een dagblad te lanceren dat, tegen betaling, alleen op de tabletcomputer te lezen was. Ondanks een investering van vijftig miljoen dollar is het niet gelukt. Per 15 december houdt The Daily na nog geen jaar op te bestaan. Is het waarschijnlijk dat bestaande kranten, met hun bagage van traditionele activiteiten en geringere middelen, en vaak ook nog op een kleinere lezersmarkt dan de Engelstalige, zo’n operatie wel kunnen laten slagen?

De hier beschreven trend is wereldwijd. Alleen in opkomende economieën groeien sommige traditionele media nog, zoals in India de krant. Een pervers neveneffect is de devaluatie van eens trotse Europese kranten tot speeltje voor nieuwe rijken. In het Verenigd Koninkrijk kopen Russische en Indiase miljardairs een krant om er prestige mee te verwerven en invloed op de overheid. Dezelfde invloed die de al genoemde Rupert Murdoch twee decennia eerder verwierf, in een tijd dat er nog grof geld te verdienen viel met drukwerk door een wereldwijd conglomeraat van mediabedrijven op te zetten. Onlangs nog telde hij een miljard euro neer voor de televisierechten op de Nederlandse Eredivisie. Onze publieke omroep brengt daar wanhopig de vaderlandse traditie van het bord-op-schoot tegen in het geweer, maar zal de biedingenoorlog om het uitzenden van de samenvattingen niet van Fox, van RTL of SBS kunnen winnen. Al was het maar omdat de politiek voor deze besteding van gemeenschapsgeld hoogstwaarschijnlijk een stokje steekt.

Waarmee we terug zijn op vaderlandse bodem. Zoals omroepverenigingen met hun trouwe leden decennialang ons omroepbestel ondersteunden, zo waren de trouwe abonnees een dagelijkse vreugde voor de uitgever van krant of weekblad, en voor zijn huisbankier. Vooral aan het begin van het jaar werd er genoten, want dan kwam het abonnementsgeld binnen voor diensten die nog lang niet geleverd waren. Investeringen dus, niet van het bedrijf in zijn product maar van de klant in de financiers. In de meeste ons omringende landen is dat anders: daar wordt de krant vooral in de kiosk en op straat verkocht en gaat de kost dus voor de baat uit. Alweer een paradox: terwijl deze gunstige financiële situatie een transitie naar een andere verschijningsvorm gemakkelijker zou moeten maken, maakte ze in werkelijkheid de Nederlandse krantenwereld vooral aantrekkelijk voor investeerders die op geen enkele manier het belang van de nieuwsvoorziening of van de lezer voor ogen hielden.

En waarom zouden ze ook? In een oude industrie renderen investeringen niet meer, bijvoorbeeld in drukpersen of professionaliteit. Terwijl bijna alle Nederlandse kranten op dit moment nog winst maken op hun exploitatie, staat het er precies daarom nu met hun uitgevers somber voor. Of het nu banken zijn of investeringsfondsen: ze hangen volgens een beproefd recept de bedrijven die in hun bezit zijn met schulden vol terwijl ze er intussen de revenuen aan onttrekken. Dat begon in de jaren negentig hier te lande al toen de Dagbladunie (uitgever van o.a. NRC Handelsblad en Algemeen Dagblad) en de Perscombinatie (uitgever van de Volkskrant, Het Parool, Trouw) fuseerden, met als resultaat een firma met een forse bankschuld. Het ging door toen dit gefuseerde bedrijf (PCM) in handen viel van het Britse rooffonds Apax. Het gebeurde met de regionale kranten van het Wegener concern: leeggehaald door de Engelse eigenaars van Mecom, dat de titels inmiddels voor een fractie van de oorspronkelijke waarde in de ramsj heeft gedaan. Ook het relatief kleine NRC Media heeft er last van wanneer de aandeelhouders zichzelf tweeënhalf keer de winst als dividend uitkeren en tegelijkertijd nieuwe schulden voor het bedrijf aangaan. Het heeft geen enkele zin over deze gang van zaken moralistisch te doen. Zo werkt ons systeem, het kapitalisme. En wie er nochtans treurig over is, zoals ik, kan zich wellicht troosten met de gedachte: misschien heeft mijn pensioenfonds er wel degelijk baat bij.

In de Verenigde Staten klinkt op dit moment van veel kanten de roep om het behoud van serieuze journalistiek door middel van subsidies. Die hoeven niet per se van de overheid afkomstig te zijn, al verwijst men er graag naar Thomas Jefferson en James Madison die in de beginjaren van de republiek grootscheepse financiële steun voor het drukken en verspreiden van kranten gaven met het idee dat daarmee de jonge democratie werd versterkt. Er ontstaat nu mecenaat voor de journalistiek met onafhankelijke stichtingen, gedragen door bedrijven en donateurs zoals het succesvolle Pro Publica. En er is een groot aantal initiatieven dat ook inhoudelijk gesteund wordt door niet-journalisten. Deskundigen die, bijvoorbeeld via een blog, hun kennis overdragen. De amateurvideo is niet meer weg te denken uit het verslag van rampen en ongelukken. Dataspecialisten, vormgevers, computergrafici, archiefbeheerders, bloggers, twitteraars, amateurfilmers; ze opereren op voet van gelijkwaardigheid samen met traditionele professionals . Er is, kortom, een rijkdom aan nieuwe mogelijkheden om journalistiek te bedrijven. Maar het probleem blijft dat deze zich voorlopig niet, of veel minder dan vroeger in geld, bijvoorbeeld om salarissen te betalen, uitdrukt. Met een mengsel van afgunst en bewondering wordt dan ook, met name in Amerika, naar het Europese systeem van publieke omroepen gekeken, die nog wel de middelen hebben om grondig en systematisch te werk te gaan en voor wat betreft televisie met nog steeds een groot bereik. Al kalft dat af. Want de jongste generaties, de digital natives, laten lineaire televisie steeds meer links liggen, en kiezen liever hun eigen menu; behalve in het geval van een live sportverslag of een fikse nationale ramp.

Daarbij komt nog dat de Nederlandse overheid traditiegetrouw nieuwe mediaontwikkelingen zoveel mogelijk beknot of verhindert. De televisie, de kleurentelevisie, de commerciële televisie en nu het gebruik van internet: ze worden zoveel mogelijk ingeperkt en met verbodsbepalingen omgeven, doorgaans met geen of averechts effect. Zo moet de publieke omroep door maatregelen van de kabinetten Rutte I en Rutte II nu honderden miljoenen inleveren en mag ze zich bovendien niet manifesteren op de platforms die zo duidelijk de toekomst hebben. De neergang van de kranten wordt daardoor zeker niet gestuit en het publiek wordt er niet beter door bediend. Van welke bedoeling zijn deze nieuwste maatregelen eigenlijk het resultaat? Moeten we dan toch maar een kwakkelende bedrijfstak met overheidssubsidies in stand houden? Bij het bouwen van schepen en vliegtuigen bleek industriepolitiek niet bepaald een succes. En hoeveel honderden miljoenen gaat zo’n poging, in crisistijd nog wel, ons kosten?

Als ik een pasklaar antwoord had, dan verdiende ik kapitalen in Silicon Valley. Een begin van een antwoord is er wel. De Nederlandse cultuur, met inbegrip van onze journalistiek, concurreert niet rechtstreeks met de rest van de wereld. En er wordt jaarlijks al voor zo’n 800 miljoen aan subsidies uitgekeerd, namelijk aan de publieke omroep. Maar over de besteding wordt door de politiek altijd, ook nu weer, gedebatteerd in termen van organisatievorm (hoeveel Hilversumse verenigingen hebben we nodig?) en kortingen (kan er nog een arm of een been van af?). Over de functie gaat het nooit, ook niet in de deze week gepubliceerde intenties van staatssecretaris Sander Dekker. Daar komt het woord journalistiek niet in voor. Toch kan het geen kwaad daar juist nu naar te kijken en daarbij de blik te kantelen. Al dat subsidiegeld hoeft niet gebruikt te worden om te concurreren met andere commerciële organisaties (om zoveel mogelijk publiek, reclamegeld, voetbalrechten). Hetzelfde bedrag kan ook beschouwd worden als de investering in een publieke basisvoorziening op het gebied van nieuws, achtergrond, cultuur, educatie. Een voorlopige bodem in de markt, nu er zoveel verandert en daarbij zoveel waardevols dreigt te verdwijnen. Zo’n basisvoorziening moet dan wel ten goede komen aan de hele samenleving, inclusief private partijen die hun eigen specifieke meerwaarde aan de voortbrengselen kunnen geven. Op dit moment staat de NOS al nieuwsbeelden af aan de websites van kranten. Dat is een zinnige, eerste stap.

Bij een omslag in het denken zoals hier bepleit, horen mediumtypen (drukwerk, radio, tv) niet meer op de eerste plaats te staan en al evenmin de organisaties. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid bepleitte dit al in een veelgeprezen en vaak geciteerde studie uit 2005 (‘Focus op functies’). Maar net als het rapport van de commissie-Brinkman over de penibele situatie van de dagbladpers (2009) en een advies van de Raad voor Cultuur over de vorming van een nieuw fonds ter bevordering van kwaliteit en innovatie in de media (2012) leggen achtereenvolgende parlementen en kabinetten de conclusies en aanbevelingen naast zich neer alsof er niets aan de hand is. Hetzelfde dreigt nu te gebeuren met een pleidooi van de Nederlandse Vereniging van Journalisten om steun voor functies als (financiële) onderzoeksjournalistiek en het kritisch volgen van lokale en regionale politiek, functies die door de bestaande media niet of nauwelijks meer worden vervuld.

De grote omwentelingen in de media staan niet voor de deur. We zitten er al middenin. Maar het inderhaast in elkaar getimmerde regeerakkoord geeft geen enkele indicatie dat men zich hiervan bewust is. Belemmert de verstrengeling van oude media en politiek wellicht het denken? Juist bij een technologische revolutie met zoveel gevolgen voor de samenleving, gepaard aan een financiële crisis, zou het geactiveerd moeten worden. Niemand bestrijdt het belang van kwaliteit in de media, en daarmee goed geïnformeerde burgers, voor een in ieder opzicht vitale democratie.

De krant vouwde je open en dicht. Radio en tv zette je aan en uit. Maar mijn mobiele telefoon wijst mij vierentwintig uur per dag op beelden en artikelen die de moeite waard zijn. Ze zijn overal om mij heen en continu beschikbaar. Geen wonder dat we nu van een ‘medialandschap’ spreken. In dat landschap gaat veel van wat vertrouwd en dierbaar was verdwijnen, zoals het papieren dagblad. Die verandering is onvermijdelijk en regelt zichzelf. In infrastructuur hoeft de overheid dan ook niet te investeren. Maar des te meer in de kwaliteit van datgene wat alom beschikbaar is en daarom, ten onrechte, als gratis wordt beschouwd. In de productie van hoogwaardige cultuur en betrouwbare journalistiek dus, wanneer de markt daar niet in slaagt. De nieuwe middelen hebben namelijk wel degelijk nog een boodschap aan de beste tradities van omroep en krant.

H. M. van den Brink is directeur van het Mediafonds.