Waanzin

Wie heeft het echt gedaan? Terwijl Nederland collectieve verbijstering probeert uit te stralen over het doodschoppen van de grensrechter van de Buitenboys – rouwbanden, stille tocht, oproep tot respect, alle wedstrijden afgelast – zoemt achter de stille gedragenheid de schuldvraag rond. Zoveel afzichtelijk geweld komt niet zomaar uit de lucht vallen. Is het het verziekte amateurvoetbal? Zijn het de partijdige scheidsrechters? Is het de straatcultuur? Zijn het de Marokkanen?

Geen idee hoe we nu de put gaan dempen

Het is niet chic om woede voorrang te geven boven ontzetting, niet chic om met vingerwijzen te beginnen terwijl de tranen voor de dode nog stromen, maar aangezien anderen al zijn begonnen, kun je misschien maar beter snel even jouw steentje in de vijver gooien.

De Telegraaf probeerde allebei tegelijk. Gisteren prijkte er een grote foto van het incident op de voorpagina. Boven zo’n foto verwacht je op z’n minst: TUIG. De redactie had toch maar voor het keurig onthechte WAANZIN gekozen.

Waanzin – eigenlijk maakt het geen bal uit of we na zo’n gebeurtenis onze toevlucht zoeken in rituelen van onmacht of ons te buiten gaan in aan de zoveelste groteske uitbarsting van duiding en commentaar. De onderliggende zorg is immers hetzelfde: wat is er mis met ons? Waarom is onze maatschappij geen samenleving meer?

Peter R. De Vries twittert over het teveel aan partijdigheid in het amateurvoetbal, een academische Marokkanen-duider weidt uit over „de moeizame integratie van een etnische minderheid met een machocultuur”, voetbalvaders getuigen van de idiote agressie die ze wekelijks fluitend op het veld moeten doorstaan, columnisten klagen afwisselend over te veel begrip voor de daders en juist over te weinig begrip van de daders. De vingers wijzen alle kanten op, de onderliggende boodschap is hetzelfde: dit incident is slechts de druppel. Het is allang niet leuk meer.

Je kunt dat nuchter bekijken, dan kom je vanzelf bij de relativering terecht. Het is gruwelijk wat er is gebeurd – maar het enige wat dat over de samenleving zegt is dat er gruwelijke dingen in een samenleving gebeuren. Dat was in 1812 niet anders. En in 1912 ook al niet.

Maar relativeren is iets anders dan je schouders ophalen. Wat er op het voetbalveld in Almere is gebeurd, is een incident – er zal niet snel weer zoiets gebeuren. Maar incidenten hebben een context.

Het was opvallend om Bernard Fransen, voorzitter van het amateurvoetbal, de afgelopen week publiekelijk met zijn handen in het haar te zien zitten: ze hadden de afgelopen jaren zo hun best gedaan, er was zoveel onderzoek geweest, er waren zoveel maatregelen genomen. En net toen ze dachten dat het beter ging: dit. We kunnen het niet alleen, verklaarde hij, dit gaat iedereen aan. Wat er gedaan zou moeten worden zei hij niet – omdat hij het zelf ook niet wist.

Het kalf was verdronken. Nog erger: geen idee hoe we nu de put gaan dempen.

Die openbare vertwijfeling van de voetbalbestuurder – alles geprobeerd, nauwelijks verbetering – vond ik, gek genoeg, hoopvol. Het laat het begin van een kentering zien. Lang ging het om het falen van autoriteit. Bestuurders en overheid waren te laks, niet streng genoeg, te weinig efficiënt ook. Iedereen wist wat er gebeuren moest. Handhaven, aanpakken, afrekenen!

Nu wordt steeds vaker de bal teruggespeeld: meer regels helpen niet wanneer moreel besef bij burgers ontbreekt. Dat je iets verkeerds doet, tja. Het wordt pas erg wanneer je helemaal niet het gevoel hebt dat je iets verkeerds doet. Of het nu over de rellen in Haren gaat, over de verdorven graaicultuur bij woningcorporaties en onderwijsinstellingen, of over agressie in het amateurvoetbal – het heeft weinig zin om de daders schuldig te verklaren wanneer bij henzelf ieder besef van schuld ontbreekt. Het gettonarcisme van de straat, de eigendunk van ‘topmannen’ (voormalig topman Amarantis over het vernietigende rapport: „Dat is onwaarschijnlijk schadelijk voor mijn integriteit”), de massale vernielzucht in Haren – wanneer iedereen enkel de mores van zijn eigen milieu koestert, verandert de publieke ruimte in een jungle. Hoe komen we van een particuliere weer naar een publieke moraal? Dat is het heetste hangijzer.

Daar gaan we niet snel uitkomen. Maar toch. Winst is alvast het besef dat nog meer regels, nog strenger straffen, nog hardere sancties geen begin van een antwoord zijn.