Vele wijde dubbelsterren blijken drielingen

De zon is een alleenstaande ster, maar verreweg de meeste sterren hebben een of meer begeleiders. Soms staat die er vlakbij, maar bij vele op zo’n grote afstand dat het duidelijk is dat hij niet op die plaats kan zijn ontstaan. Zó groot kon de kosmische kraamkamer van dit duo niet zijn geweest. Astronomen hebben nu een verklaring voor deze extreem wijde dubbelsterren gevonden. Ze begonnen als trio, waarna de lichtste component werd verdreven (Nature, 6 december).

Sterren ontstaan gewoonlijk, en misschien altijd, in kleine groepen. Dat gebeurt in samentrekkende gaswolken die in kleinere delen uiteenvallen. In het centrum van die fragmenten kunnen dan door verdere contractie groepjes sterren ontstaan. Als zich echter in een te klein gebiedje drie sterren bevinden, kunnen die door hun onderlinge aantrekkingskracht elkaars banen verstoren. Dat kan er toe leiden dat de lichtste ster wordt verdreven en in een heel wijde baan om het achtergebleven duo komt.

Bo Reipurth en Seppo Mikkola hebben dit proces via computersimulaties bestudeerd en gevonden dat er zo op een tijdschaal van vele miljoenen jaren inderdaad sterparen met een heel verre begeleider kunnen ontstaan. Het aantal dat langs deze weg ontstaat, komt goed overeen met wat in de praktijk wordt waargenomen. Bijna tien procent van alle sterren in het melkwegstelsel is een drieling. Het meest bekende voorbeeld is Alfa Centauri, de helderste ster aan de hemel. Die bestaat uit twee componenten die op de afstand van Uranus tot de zon om elkaar draaien, terwijl een derde component bijna duizend maal zo ver weg staat.

De energie voor het verdrijven van de lichtere component is afkomstig van het kleiner worden van de banen van het achtergebleven sterpaar. Deze twee sterren kunnen daardoor zo dicht bij elkaar komen dat ze (vanaf de aarde gezien) op één ster gaan lijken.

George Beekman

    • George Beekman