Schoon genoeg van het gesis en gefluit

Ex-staatssecretaris Clémence Ross-Van Dorp verkeek zich als voorzitter van De Graafschap op de macht van de fans. „Het zit me niet lekker, dat het me niet is gelukt.”

E ven voor middernacht op 30 oktober 2012 wilde Clémence Ross-Van Dorp stadion De Vijverberg in Doetinchem verlaten, toen ze op de trap gesis en gefluit hoorde. Gesis en gefluit naar haar, de voorzitter van De Graafschap. Twee aangeschoten mannen die uit de business club kwamen vielen haar lastig.

Een maand later blikt ze terug: „Ik had zin een van beiden over de rails te kieperen. Het werd bijna fysiek. Ik hield me in, dacht: ‘Je bent voorzitter, oppassen, straks geef je iemand een oplawaai’. Ik vreesde uit mijn rol te vallen.”

Tijdens het bekerduel tegen Go Ahead eerder op de avond was het er al heftig aan toegegaan. Vanaf het beginsignaal uitten fanatieke fans hun onvrede met de lage klassering van de club in de eerste divisie. Vooral de voorzitter moest het ontgelden. De aanhang op de Spinnekop scandeerde haar naam, eiste haar hoofd. „Vreselijk. Dat je het kunt opbrengen een hele wedstrijd het bestuur uit te schelden! Voortdurend horen dat je niet deugt, ging door merg en been. Toen dacht ik: ‘Misschien is het beter dat ik hier niet meer kom. Ik ben blijkbaar de persoon die afleidt van het voetbal’. Ik zag bovendien op tegen het vooruitzicht van de volgende thuiswedstrijd.”

Na een slapeloze nacht en overleg met haar man besloot ze de volgende ochtend op te stappen. Slachtoffer van een fluwelen revolutie in de Achterhoek, van een groep fans die de club weer willen teruggeven aan ‘de voetballers’. „De supporters die het vertrouwen in mij opzegden gaven te kennen: voetbal is van ons. We hadden gesprekken met een delegatie, maar die kwam niet om te luisteren. Er werden eisen op tafel gelegd. Het antibestuurlijke aspect was dominant.” Volgens haar ging het om 15 aanjagers, en zo’n 200 tot 300 volgelingen, „soldaten die het vuile werk opknapten”.

We zitten in de woonkamer van haar verbouwde boerderij in Breedenbroek in de Achterhoek. Grote ramen, fraai uitzicht op weilanden, boerderijen en een molen. Het is helder weer, nog net geen winter. Clémence (55) en haar zes jaar oudere man Jos wonen afgelegen, voor boodschappen moeten ze zes kilometer rijden. Doetinchem ligt op 12 kilometer afstand. Ze heeft mij deze decemberzondag opgehaald van het NS-station. Afstanden doen haar niets; ze houdt van rijden, in haar felblauwe Audi automaat: muziek hard aan, turend over de velden. Geen vuiltje aan de lucht.

Een zondagmiddag zonder voetbal, terwijl De Graafschap speelt: afkicken. „Het is niet moeilijk geen voorzitter meer te zijn, maar dat wil niet zeggen dat je de andere aspecten zo maar van je afschudt. Ik ben een hartstochtelijke fan, maar het is beter even niet naar het stadion te gaan. En onverstandig weer als rode lap van de fans te fungeren.” Tijdens onderbrekingen in het gesprek loopt ze naar de studeerkamer, waar Jos het uitduel tegen Volendam volgt. Na de tweede korte pauze komt ze opgetogen terug: 1-0, door een goal van Ted van de Pavert. „Local hero.” Ze glundert.

Ze komt uit een traditioneel katholiek gezin. Zes kinderen, zij was de vijfde. Haar vader was leraar geschiedenis, haar moeder deed maatschappelijk werk. Alle kinderen moesten een instrument bespelen en aan sport doen. Clémence hield van voetballen op het schoolplein, maar die sport in clubverband beoefenen zat er toen nog niet in, voor meisjes. Dus werd het paardrijden, dat zat in de familie. „Ik was klein voor mijn leeftijd, en dun. Met handbal werd ik omver gekegeld, gymnastiek vond ik eng.” Ze had nog een handicap: „Ik kan niet makkelijk iets voor de lol doen. Recreatief sporten vind ik niet zo leuk. Ik wil het gevoel hebben dat ik er iets van kan. De pot winnen.”

Haar ouders hielden van verhuizen. Eerst van Delft naar Deventer en omgeving, daarna naar de Achterhoek: „gestopt bij de grens”’.

Ze is nooit meer weggegaan. Toen ze als CDA-politica carrière maakte gaf ze de voorkeur aan pendelen, eerst naar Brussel, later naar Den Haag. Toch is ze is geen Achterhoekse, zegt ze stellig: „Daarvoor moet je er zijn geboren, of je jeugd hebben doorgebracht.” Ze woont er nu 38 jaar. „Een streek waar de mensen altijd hard hebben geploeterd. Het bier mag nooit op en er moet genoeg eten zijn. Die mentaliteit is ook typerend voor de club: strijd, sfeer, saamhorigheid. Men zegt: Doetinchem is De Graafschap. Eigenlijk is de club van de regio. Veel mensen komen nog steeds uit de omgeving met de fiets naar het stadion. Vroegen zetten ze die tegen muur, nu tegen de hekken.”

In 2009 werd ze door oud-voorzitter Sietse Veen gepolst of zij zijn opvolger wilde worden. In de zomer van 2010 werd zij de eerste vrouwelijke voorzitter van een eredivisieclub. En de eerste voorzitter die niet uit de club voortkwam. De clubcultuur én het betaalde voetbal kende ze alleen als buitenstaander. „Toen ik net was begonnen dacht ik: ‘Dit is complex.’ De Graafschap steunt op twee poten: Je hebt de vereniging en een sportorganisatie die op bedrijfseconomische basis moet worden geleid. Die twee in evenwicht houden is de kunst.”

Het duurde even voor ze de organisatie leerde doorgronden. Na vier maanden wist ze waar de zwakheden zaten, daarna kostte het enige tijd een goede analyse te maken. Aan het einde van haar eerste seizoen werd het contract met de trainer niet verlengd, aan het begin van het tweede seizoen werd de technisch directeur de laan uit gestuurd. Acht wedstrijden voor de finish van het tweede seizoen werd de nieuwe trainer ontslagen. In het eerste seizoen wist De Graafschap zich net te handhaven in de eredivisie; na het tweede seizoen volgde degradatie naar de eerste divisie. Ze somt op: „Bestuurlijke onrust, wisselingen van de wacht, slecht spel, geen strijd. Intern hadden we de zaak wel op orde, maar daar hadden de supporters geen boodschap aan.”

De degradatie was een mokerslag. „Zo’n beetje alles verandert. Het budget gaat van 10 miljoen naar 6 miljoen. Spelers willen weg, omdat ze hoger willen voetballen en omdat ze gedwongen in hun salaris worden gekort. Sponsoren haken af, sommigen gingen failliet vanwege de financiële crisis. Er worden minder seizoenskaarten verkocht. Het voetbal in de eerste divisie is anders, fysiek, minder verzorgd. De streekderby tegen Vitesse zorgt altijd voor sfeer. Nu speel je tegen Emmen.” De resultaten vielen tegen, ook in de eerste divisie.

De fanatiekste fans gingen zich roeren. Eind september, uit tegen Eindhoven, keerden de supporters zich voor het eerst tegen de voorzitter. Er werd hard op de vrouw gespeeld. „Ik ben voor de wedstrijd naar hun vak gelopen. Heb tegen ze gezegd: ‘Houd je nu even niet met mij bezig. Concentreer je op de wedstrijd’. Zij zeiden: ‘We komen niet eens in het strafschopgebied van de tegenstander.” We wonnen met 2-0, maar toen dacht ik voor het eerst: ‘Daar gaat het helemaal niet om. Ik ben de verpersoonlijking van meer dan alleen slecht voetbal. De agressie richt zich tegen mij als bestuurder.”

Een kerngroep van verontruste supporters schreef een manifest, waarin onder meer werd geëist dat ‘het betonvoetbal’ werd ingewisseld voor strijd. Overleg met het bestuur volgde. Het maakte geen eind aan de onrust. Integendeel: de onvrede sloeg over van de manifestgroep naar de Spinside. „Het ging van kwaad tot erger. Ik vond het vreselijk: de spandoeken, de leuzen.” De spandoeken werden verboden, het scanderen bleef. De wedstrijdbus van de spelers werd bekogeld met stenen. Het bestuur werd in tweets bedreigd, zodanig dat de politie erbij betrokken raakte. Nee, de supporters stonden niet bij haar in de tuin: „Daar woon ik waarschijnlijk te afgelegen voor.” Ze lacht, even. „Ik nam het mee naar huis, had slapeloze nachten. En als ik niet slaap, slaapt mijn man Jos ook niet. Ik kan doorgaans goed schakelen naar mijn werk [ze is directeur van het Nederlands Instituut voor Sport en Bewegen], maar ook dat werd steeds moeilijker.”

Ruim een maand later legde ze haar functie neer. Met forse tegenzin. „Ik houd niet van opgeven. Ik wil bovendien niet zielig klinken. Een slachtoffer zijn vind ik niet aantrekkelijk.” Ze is bovendien nog altijd hartstochtelijk betrokken bij het wel en wee van De Graafschap. Dat blijft.

Op de terugweg, naar het station, zegt ze: „Dat schelden is blijkbaar gewoon geworden. Het is lastig om het te snappen en nog moeilijker te doorgronden wat je ermee moet doen. Het zit me niet lekker, dat het me niet is gelukt.” Soms, zegt ze, denkt ze wel eens dat ze twee weken vakantie had moeten nemen, om daarna met frisse moed weer aan de slag te gaan. Ze kijkt me aan. „Zou dat hebben geholpen?”

    • Menno de Galan