Omzwervingen van een redactie

Binnenkort is H.J.A. Hofland zestig jaar aan deze krant verbonden. Hij begon zijn loopbaan in hetoude Handelsbladgebouw en maakte vijfmaal een verhuizing van de redactie in Amsterdam mee.

De gebouwen van het Algemeen Handelsblad aan de Nieuwezijds Voorburgwal in Amsterdam.

M aak eens een wandeling over de Nieuwezijds Voorburgwal in Amsterdam, een klein stukje tussen de Paleisstraat en de Rosmarijnsteeg. Het duurt niet langer dan vijf minuten. Daar kom je langs de vroegere bastions van drie grote Nederlandse kranten: De Telegraaf, de Volkskrant en het Algemeen Handelsblad. De Voorburgwal werd de Fleet Street van Amsterdam genoemd. Niet goed. Fleet Street was de Voorburgwal van Londen. Het is allemaal lang voorbij. De kranten zijn vertrokken. Alleen Café Scheltema, oude drinkplaats van journalisten, staat er nog. Dit verhaal gaat over de verhuizingen van een krantenredactie in Amsterdam – en hoe de tijden veranderd zijn.

Op 1 mei 1953 ging ik voor het eerst het gebouw van het Algemeen Handelsblad aan de Voorburgwal binnen. Ik zou journalist worden, maar dat wist ik toen nog niet. Ik liep de brede stenen trappen op, keek naar oude schilderijen die aan de muur hingen, de portretten van de mannen die hier ooit de baas waren geweest. Indrukwekkend. Ik kwam in een grote ruimte waar, achter een balustrade met tralies en loketten, de administratie was gevestigd.

Nog twee trappen van hetzelfde formaat en ik was op de verdieping van de redactie, om te beginnen een grote ruimte met zeven deuren. Daarachter zaten de hoofdredacteur, de adjuncten, het secretariaat, de redacties buitenland en economie.

Een eindje verderop hoorde ik zacht geratel. Dat waren de telexen, de automatische schrijfmachines, verbonden met de persbureaus. Er hing een vage geur van tabaksrook. Dan, verderop in de achterkant van het gebouw, zaten de opmaakredactie en de redactie binnenland. Ook tabaksrook.

Door mijn vriend Hans Hoefnagels, redacteur buitenland, aan wie ik dit vakantiebaantje te danken had, werd ik rondgeleid, voorgesteld aan mr. H.M. Planten, de hoofdredacteur, en de rest van de redactie. Dat was toen de gewoonte. Daarna kreeg ik op de redactie buitenland een bureau toegewezen, met een schrijfmachine, een oude Woodstock.

Chef dr. A.L.Constandse ondervroeg me over mijn kennis van buitenlandse politiek. Die bleek mee te vallen. Zo begon, geheel toevallig, mijn loopbaan in de journalistiek. Bijna zestig jaar later ben ik nog steeds journalist.

Het oude gebouw van het Algemeen Handelsblad, ontworpen door Eduard Cuypers, is voltooid in 1903. Het ging de uitgeverij voor de wind, er werden panden bijgekocht. Op den duur was het grootste deel van het blok tussen de Paleisstraat en de steeg die Keizerrijk heet eigendom van de krant.

Halverwege de jaren zestig begon de neergang. Ook in Rotterdam, bij de NRC, werd de druk van de nieuwe tijd gevoeld. Een fusie lag voor de hand, maar het heeft wel even geduurd voordat de samensmelting voltooid was. Dat is mooi beschreven door Pien van der Hoeven in haar pas verschenen proefschrift Het succes van een kwaliteitskrant. Hier gaat het verder over onroerend goed.

In 1964 verenigden de uitgevers van het Handelsblad en de NRC zich tot de Nederlandse Dagblad Unie en daarna zou het nog zes jaar duren voordat het eerste exemplaar van NRC Handelsblad verscheen. Toen concentreerde de redactie zich voornamelijk in het nieuwe gebouw aan de Westblaak in Rotterdam. Het oude Handelsblad liep in versneld tempo leeg. Er waren nog resten van oude redacties, van kunst, economie en de stadsredactie, maar het was een appendix van Rotterdam geworden. De drukpersen in Amsterdam werden ontmanteld, ze lagen op straat te wachten op handelaren in oud roest. Ik, als Amsterdamse hoofdredacteur, noemde me de conducteur van de bijwagen op wiens bellen niet gelet werd.

Een deel van het gebouw werd verhuurd aan de toenmalige Bekende Nederlander van de televisie, Wibo van der Linden, die daar een weekblad begon, ‘Wat gaat Wibo nu weer doen’. Van dit initiatief hebben we niets meer gehoord. Het oude Handelsblad was een spelonk geworden, ontruiming was onvermijdelijk. In 1977 gingen we naar de overkant van de Voorburgwal, de derde verdieping van Gerzon, het grote kledingmagazijn dat failliet was gegaan. Eén kleine ruimte, geamputeerd van zetterij, drukkerij en alles wat een dagblad eigen is. Niet onaangenaam was het in Gerzon, maar toch: armoedig. De paar boeken die ik had meegenomen, pasten in een wijnkistje: een mobiel boekenkastje op mijn bureau. Intussen werd het oude gebouw gekraakt en door de bewoners het NRC genoemd.

Het verblijf bij Gerzon heeft niet lang geduurd. Na een paar jaar verhuisden we naar het gebouw op de hoek van de Paleisstraat, de Kalverstraat en de Dam, voltooid in 1914. Het was het hoofdkwartier van de herensociëteit De Groote Club geweest. Dat gezelschap was ook verhuisd en daarna werden de verdiepingen aan bedrijven verhuurd. De redactie betrok de tweede. Het was een vorstelijk onderkomen, te beginnen bij de grootse entree, dan de lift die het altijd deed en daarna de deelredacties, verdeeld over ruime kamers langs de Paleisstraat en de Kalverstraat. Op de hoek was het secretariaat. Daaronder, op het balkon van de eerste verdieping, hebben op 7 mei 1945 een paar Duitse soldaten het vuur op de feestvierende menigte geopend: 22 doden.

Feitelijk zaten we daar in het centrum van het koninkrijk, we waren er getuige van koninklijke bezoeken, nationale feestdagen, de kermis en we hebben gezien hoe het plein twee keer van nieuwe keitjes werd voorzien. Ik had er een eigen kamer, ging er ook op zondag werken en ik was de enige niet. Op een ochtend trof ik mijn collega Wubby Luyendijk, in opgetogen staat. Ze had juist een inbreker verjaagd. Nogmaals: respect.

In mijn kast bewaarde ik een windbuks. Soms, in het weekeind, werd de lange gang in een schietbaan veranderd. Dan kwamen mijn mederedacteuren met hun zoontjes schijfschieten. Misschien heb ik daar de gelukkigste jaren van mijn beroepsleven gehad.

Maar het denken van dagbladdirecties is ondoorgrondelijk. Opnieuw moesten we verhuizen, nu naar de Herengracht, een betrekkelijk modern pand waar ooit een herenhuis uit de Gouden Eeuw had gestaan. Een benauwd liftje bracht je naar de tweede verdieping. Het grootste deel van de redactie en het secretariaat waren gehuisvest in een ruime zaal. Dan was er in een zijkamertje een kleine keuken met koffieapparaat en frisdranken, gratis. Opnieuw had ik een eigen kamertje, veel kleiner dan het vorige, maar toch een beetje privé. Ik kreeg er veel bezoek, want het was de enige ruimte waar gerookt mocht worden. Op de eerste verdieping en de begane grond waren de kantoren van de televisiezender AT5 en in de tuin werden opnamen gemaakt voor het programma De zwoele stad, met vrolijke muziek.

Achteraf bezien was de Herengracht een mooie locatie, tussen Vijzelstraat, Thorbeckeplein en Rembrandtplein, maar ook, alweer, door geheimzinnige oorzaken niet houdbaar. Weer verhuizen. Nu werd de redactie ondergebracht in het Init, een hypermodern kantoorgebouw niet ver van het IJ. Van veraf gezien is het een betrekkelijk lage glazen kolos. Je komt er via de Czaar Peterstraat, de meest melancholieke straat van Amsterdam. Je loopt door een godverlaten vlakte, de Jacob Bontiusplaats. Dan bereik je de ingang. Links zit, onder een groot bord met het opschrift MEETING POINT, een eenzame portier. En recht voor je: lange roltrappen.

We bereiken de eerste verdieping en daar wacht ons een nieuw avontuur: de Al Gore Hal. Zo noem ik deze geweldige ruimte naar de beroemde klimaatbeschermer. Het is de grootste, leegste en best verwarmde ruimte van ons werelddeel.

We laten ons door de tweede roltrap verder verheffen. Het uitzicht op de hal accentueert de leegte. Met onze chipkaart passeren we moeiteloos het digtitale tourniquetje, en verdomd, daar staan we weer in een grote lege hal.

Waar is de redactie? Die zat vroeger in een betrekkelijk grote, niet oncomfortabele ruimte op deze verdieping, maar door onontkoombare factoren, die nooit nader zijn toegelicht, werden we gedwongen tot een verhuizing binnen het gebouw, naar een soort entresol, bereikbaar via twee levensgevaarlijke trapjes.

In dit hypermoderne krot hebben we ons de laatste jaren weten te handhaven, met af en toe een uitstapje naar het rookhok, een gezellige ruimte ter grootte van een gevangeniscel.

Vorige week heb ik van dit hypermegalomane kantoorpand afscheid genomen, ik hoop voorgoed. Ik dacht aan Hendrik Tollens, zijn gedicht over Heemskerk op Nova Zembla: ‘Vaarwel rampzalig oord, misdeeld van elke zegen. Vaarwel. Geen adem waai u tegen!’ (1819)

En nu, op naar het Rokin!

    • H.J.A. Hofland