Nooit meer forenzen

schrijft de soundtrack van haar leven. Deze week: de ochtendtrein.

In een rode wikkeljurk en op rode dansschoenen stapte ik in 1993 voor het eerst in de forenzentrein van Amsterdam-Amstel naar Rotterdam-Alexander (de halte vlakbij het kantoor waar ik stage zou gaan lopen). Op mijn eerste werkdag wist ik nog niet dat ik deze reis de komende negentien jaar nog duizenden keren zou maken. Laat staan dat ik kon vermoeden dat ik tweeënhalf jaar later in het hokje van de hoofdconducteur zou zitten kolven.

Op die eerste forenzendag – bijna alle reizigers pasten nog in hun stoel, een enkeling had een semafoon op zak – had ik ook geen idee hoe vrolijk het zou zijn om met de meisjes van kantoor terug naar huis te reizen. En hoe het dan altijd – nog voordat de trein zijn topsnelheid had bereikt – over de jongens van kantoor zou gaan.

Maar wat ik vooral niet wist: dat het in alle vroegte moeten halen van een trein me huilerig van ellende zou maken. Want hoe gaat dat?

Je hebt vijfenveertig minuten uitgetrokken voor opstaan, douchen, haren wassen/föhnen, ontbijten, aankleden en naar het station fietsen. Dat kan prima. Als je tenminste niet één of twee keer op de snooze-knop van de wekker hebt gedrukt. Want dan is er na op het opstaan meteen STRESS. En stress leidt tot inefficiënt en nerveus gefladder. Alles wat mis kan gaan, gaat nu mis.

Het regent bijvoorbeeld. De gisteravond klaargelegde jurk is nu geen optie meer, want daar moeten de suède hakken onder en de suède hakken kunnen niet tegen regen. Wat nu? Die ene broek zou kunnen, maar het vestje dat daar goed bij past, zit in de was. En die andere broek blijkt onder de vlekken te zitten. Op bed verrijst een berg kleren en intussen tikt de tijd genadeloos door.

Nu. Nu. Nu. Je moet NU de deur uit. Regenpak. Waar is mijn regenjas? De regenjas blijkt – samen met een plas water – nog in de fietstas te zitten. Regenpak eruit, fietstas leeghozen, computertas erin frotten. Shit shit shit. Waar zijn mijn fietssleuteltjes? In de jas die niet onder de regenjas past en die nu nog boven aan de kapstok hangt. In regenjas – godverdegodver – twee trappen op en af rennen. Halverwege bedenken dat de telefoon nog in de oplader zit. Weer terug. Eindelijk op de fiets met ware doodsverachting naar het station racen. Voor de kaartjesautomaat bedenk je dan dat de computertas nog in de fietstas zit.

Goed, drie kwartier nadat je je ogen opensloeg, sta je dan met een natte rug en ongepoetste tanden op een winderig station te wachten op een trein die – als het meezit – „vertrekt over tien minuten” (NS-taal voor: tien minuten vertraging).

Ik ben niet de enige die zo lijdt. Een half miljoen Nederlanders moet elke ochtend de trein naar het werk halen. In honderden coupés zitten zij elke dag in ochtend- en avondspits bij te komen, te lezen, werken, dagdromen, overspelige berichten te versturen, zichzelf op te maken, te rouwen, verliefd te zijn en een scheiding uit te denken. Als ik een regisseur zou zijn van een mozaïekfilm, dan zou ik zo’n coupé gebruiken om alle personages even samen te laten komen.

Mijn verhaallijn stopt hier. Het kantoor gaat verhuizen naar Amsterdam. Zometeen, als dit stukje getikt is en ik naar huis mag, stap ik voor de allerlaatste keer in de sprinter. Als dan maandag de wekker gaat, draai ik me nog even om. Ik weet dat er over 45 minuten een trein naar Rotterdam-Alexander zal vertrekken. Zonder mij. Ik kan wel huilen.

    • Monique Snoeijen