Jeugdtrauma's laten soms blijvende sporen na in het DNA

Illustration von Gewalt gegen Kinder

Mishandelde of misbruikte kinderen hebben later in hun leven vaak last van angst- en stemmingsstoornissen, maar niet bij iedereen pakt dat hetzelfde uit. Een Duits-Amerikaanse onderzoeksgroep heeft achterhaald dat mensen met bepaalde mutaties in het gen FKBP5 extra vatbaar zijn voor latere psychologische problemen. Doorslaggevend is dat de activiteit van dit gemuteerde gen door het psychische trauma zodanig is veranderd dat het blijvend actief is. Hierdoor hapert een mechanisme dat stressreacties stopt als het gevaar is geweken. Deze mensen kunnen daardoor minder goed het hoofd bieden aan stressvolle gebeurtenissen in hun leven (Nature Neuroscience, 2 december).

Dergelijke zogeheten epigenetische veranderingen ontstaan onder andere door methylering van het DNA. Elk gen heeft een zogeheten promotor, een kort stuk DNA dat bepaalt of het gen actief is. Als aan één van de basen in de promotor een methylgroep gebonden is, is de expressie geblokkeerd. Onder invloed van omgevingsfactoren kunnen methylgroepen worden aangebracht of verwijderd en verandert de genexpressie. Epigenetische veranderingen zijn in principe omkeerbaar, maar soms zijn ze blijvend en kunnen ze zelfs op het nageslacht worden overgedragen.

De onderzoekers analyseerden het DNA van 1963 Afro-Amerikanen die ooit meerdere ernstige psychische trauma’s opliepen. Eén op de drie had daar na jaren nog last van. De kans daarop hing samen met de ernst van het trauma, maar óók met kenmerken van het FKBP5-gen. Bij de mensen die in hun jeugd te maken hebben gehad met ernstig psychisch, fysiek of seksueel misbruik en daar later in hun leven nog mee kampten, was een methylgroep die normaal op de promotor zit blijvend verdwenen. Het gen bleef daardoor actief op momenten dat dit niet nodig is.

Onder stress bindt een normaal functionerend FKBP5-eiwit een receptoreiwit dat betrokken is bij de stressreactie. Als de oorzaak van de stress is verdwenen, stopt zijn vorming en laat het de receptor los. Doordat de methylgroep in de promotor ontbreekt, blijft de aanmaak doorgaan. Dat zou nog niet zo’n probleem zijn, als FKBP5 die receptor makkelijk losliet. Maar bij bepaalde mutaties is die binding extra stevig. De combinatie van deze mutaties en het verdwijnen van de methylgroep zorgt dus voor de problemen. Vooral in jonge, zich nog ontwikkelende hersenen, want bij mensen die als volwassene getraumatiseerd zijn is de invloed ervan veel geringer.

Huup Dassen