'Ik ben een bouwer en een houwer'

Bij een bruine boterham op zijn kantoor geeft vastgoedmakelaar Cor van Zadelhoff de oplossing voor de vele kantoorpanden die leeg staan.

Op een maandagochtend wacht ik in zijn jarendertig-kantoorvilla in Amsterdam-Zuid op Cor van Zadelhoff (74), oud-makelaar in bedrijfspanden. Ik had gevraagd of hij, tijdens een lunch, wou terugblikken op het afgelopen jaar. Het jaar waarin justitie de grootste Nederlandse vastgoedfraudezaak ooit afrondde, met celstraffen van vier maanden tot vier jaar voor elf fraudeurs. Zou Cor van Zadelhoff, die veertig jaar geleden zijn bedrijf in onroerend goed begon, opgelucht zijn dat de zaak die de vastgoedbranche zo’n slechte naam bezorgde nu voorbij is?

Twee strepen door de rekening. Cor van Zadelhoff wil het niet hebben over de bouwfraude. „Want daar is al zo veel over gezegd.” En hij wil niet lunchen. Althans niet ergens. „Want dat praat onvrij.” Als ik met hem wil praten, kan ik beter naar zijn kantoor komen. En dan zouden we daarna wel verder zien.

Daarom zit ik dus in een van de groene leren fauteuils tegenover zijn bureautafel op hem te wachten. Cor van Zadelhoff is iets verlaat omdat hij eerst vaccinaties moet halen voor zijn reis naar Mozambique met een zakenvriend later in de week. Hij arriveert met tassen, papieren en opdrachten voor Ingrid, zijn secretaresse die bij hem op de kamer zit: een mailtje naar die, stuur die dat interessante artikel uit de krant van vanochtend en „o ja”, zegt hij als hij net zit en de sigaar aansteekt die al voor hem klaar lag: „Reserveer voor straks het tafeltje in het Stedelijk precies onder het bord met mijn naam.” En tegen mij: „Dat vind je vast leuk.” Het café van het pas heropende Stedelijk Museum is naar hem vernoemd, als dank voor de 26 miljoen euro die hij hielp werven voor de restauratie van het gebouw. „Eerst wilde ze een zaal mijn naam geven. Dat vond ik zo statisch. Ik zei: doe dan het café.”

Hij slaat zijn benen over elkaar, ik zie dikke rode sokken uitsteken boven enkellaarzen in een grote maat. Dezelfde kleur rood komt terug in zijn V-halstrui, zijn zijden sjaal, het pochet van zijn jasje. „Die arts zei net dat de vaccinatie 25 jaar werkt”, zegt hij. Triomfantelijk: „Ik heb gezegd dat ik dan wel terugkom als ik 100 ben.” Als hij heeft geïnformeerd hoeveel pagina’s tekst ik denk te gaan schrijven, en waar in de krant het artikel wordt geplaatst, zegt hij dat ik mag beginnen.

U zegt altijd, zeg ik, dat u zoveel plezier hebt in uw werk, dat u eigenlijk nooit werkt? Klopt, knikt hij. „Ik heb er gein in.”

Maar, vraag ik, wat doet u dan precies?

Dat klinkt stommer dan het is. Hij is al jaren geen directeur meer bij het bedrijf dat hij in 1968 oprichtte en dat uitgegroeid is tot een internationaal vastgoed-makelaarsimperium. En twee jaar geleden kondigde hij aan te willen ‘onthechten’ en zegde al zijn commissariaten op.

Hij pakt zijn iPhone en scrolt door zijn foto’s. Kijk, zegt hij. Een foto van hem op de bok van zijn koets. Elk jaar rijdt hij mee in de Amsterdamse Sinterklaasoptocht. Foto’s van New York, hij is er net geweest. Tien jaar geleden, zegt hij, zou hij daar werkafspraken hebben gehad bij het ontbijt, de koffie, de lunch, de borrel, nog een borrel en voor het diner. „Nu doe ik drie, vier werkafspraken en ga daarna naar het MoMA.” Foto’s van kunstwerken in het museum. „Hier, dit is een mooi werk. Van Frank Stella. Echt iets voor het logo van de VVD. Ik zal die kunstenaar eens bellen. Zal Mark leuk vinden.” Hij bedoelt premier Mark Rutte, leider van de VVD.

Bemoeienis

Een flard van wat zijn secretaresse zegt, bereikt hem. „Wát kan niet?” vraagt hij. „Lunchen”, zegt ze, terwijl ze de telefoon neerlegt. „Het Stedelijk Museum is dicht op maandag.” Hij laat zich achterover vallen in zijn stoel, gespeeld verbijsterd. „Stommelingen.” Hoe vaak heeft hij de directie van het museum nou al gezegd dat ze die tent ook op maandag moeten opengooien. „Rijen staan er voor de deur. Rijen.”

Nee, zegt hij, hij heeft geen zeggenschap over het museumbeleid. „Mijn bemoeienis is die van een bezorgde Amsterdammer. Zo doe ik het met alles. Als er iets stoms gebeurt, geef ik gevraagd en ongevraagd mijn advies.” Hij weet het goed gemaakt. We zullen lunchen aan de vergadertafel in de zijkamer. Samen. „Iets simpels”, roept hij Ingrid na die naar de keuken loopt.

Nog een paar telefoonfoto’s uit New York. Een bouwterrein van een oud New Yorks kantoorgebouw waarin nu appartementen komen. Dat doet hij graag, even een bouwplaats op om rond te kijken, ook als het niet een van zijn eigen projecten is. „Ik heb altijd schoenen met stalen neuzen in mijn auto liggen. En een bouwhelm. Met zo’n ding op ziet niemand dat je niks te zoeken hebt op een bouwterrein.”

Ik onderbreek hem, midden in zijn zin, om het gesprek uit New York naar Nederland te halen, en vraag wat hij vindt van al die lege kantoorpanden hier in Nederland. Hij zwijgt, perplex. En zegt dan: „Zó haal je dus wel alle onderwerpen waar ik het over wil hebben door elkaar.”

Ik verontschuldig me haastig. Hij blijft nog even stil. Wat zal het worden? New York of de lege kantoren? Ik doorbreek de stilte : in Nederland staat 6,9 miljoen vierkante meter kantoorruimte leeg. Vindt hij het niet gek dat er nog altijd kantoorpanden worden bijgebouwd?

Ja, zegt hij, genadig „Ik maak me al jaren zorgen over de oversupply en ik waarschuw er ook al jaren tegen.”

Hij telt tot drie op zijn vingers. 1: ontwikkelaars bouwen en bouwen maar. 2. de beleggers blijven geld steken in kantoren omdat ze eraan denken te verdienen. 3. de gemeentes verkopen rücksichtslos hun grond om geld te verdienen. Grond langs snelwegen waar je, zegt Van Zadelhoff, dus juist géén kantoren moet bouwen. Omdat, nu telt hij op de vingers van zijn andere hand, 1. kantoorpanden aan de snelweg niet te bereiken zijn met het openbaar vervoer en 2. werken in dat soort panden niet gezellig is.

Hij kijkt even wat het effect is van wat hij zojuist gezegd heeft.

Ik heb, zegt hij, tot ver in mijn actieve leven niet meer dan tien minuten besteed aan lopen naar mijn werk. „Mensen willen in de stad werken, niet langs de snelweg.” Een kantoor moet staan waar het levendig is. „Wonen, werken en recreëren op één en dezelfde plek. In de lunchpauze naar de friettent.” Hij zegt het op z’n Amsterdams: „Effe een luchie scheppen. Dat is hartstikke goed voor mensen.”

Hij zegt niks nieuws, hoor. „Ik zeg dit al twintig jaar.” Maar er wordt niet geluisterd, opper ik. Met dreigende ogen: „Zolang de markt stijgt, merkt niemand dat je gokt. Beleggers kunnen rustig investeren met geleend geld, bouwers vinden altijd wel een idiote Duitser die hun gebouwen koopt. Ik heb altijd gewaarschuwd voor een overkill aan panden, zoveel kantoren hadden we ook toen het nog geen crisis was niet nodig. Werken is flexibel geworden, je hoeft niet meer elke dag naar kantoor.”

Wat hij ook al tien jaar zegt: dat het bloed door de straten zal lopen als de economie maar even minder zou gaan. „Maar dat het zo erg zou worden als nu, dat heb ik ook onderschat.” Risico’s nemen, speculeren, gokken, geen maat houden, zo is de ellende begonnen. En toen kwam er een bankencrisis, een kredietcrisis én een eurocrisis en ja, „nu zitten we in de shit”. Maar zegt hij, het is goed dat de wal het schip keert. „Door de crisis zijn de excessen zichtbaar geworden.” Ik vermijd het woord bouwfraude als ik hem vraag of de wereld niet iets schoner en netter is nu de ‘shit’ van de grootste bouwboeven is opgeruimd.

Hij lacht, schamper. „Haha. Schoon en netjes. Toon mij één wereld die schoon en netjes is. Die bestaat niet.”

Hij verfoeit gokken, zegt hij. Aan dom doen met geld. „Ik ben ook nog nooit van mijn leven in een casino geweest.” Hij kijkt er trots bij. „Hoe kun je nou geld in iets steken terwijl je wéét dat de kans op verliezen in het casino groter is dan winnen?”

Hij denkt dat zijn afkeer te maken heeft met wat hij zijn „basic rural” opvoeding noemt. De derde van acht kinderen uit een boerengezin. „Wie opgroeit op een boerderij leert de waarde van geld kennen.”

Roken

Twee mannen van rond de veertig in donkerblauwe pakken komen de kamer van Cor van Zadelhoff binnen en vragen of hij even tijd heeft voor overleg. Ze kijken alle drie naar mij. Ik pak mijn jas en tas en ga de kamer uit. Cor van Zadelhoff staat bij de deuropening en zegt dat het zo het beste is, want in de rest van het kantoorpand rookt hij liever niet. Na een paar minuten haalt hij me weer op bij de receptie. „Dit is dus mijn werk”, zegt hij als hij weer zit. „Ik praat vijf minuten over iets waar zij de rest van de dag mee bezig zijn.” Het ging net over een pand van hem dat eerst gehuurd werd door veilinghuis Sotheby’s. „Onbegrijpelijk dat ze er wegwilden.” Nu wordt het verbouwd voor Stageholding, een van de bedrijven van theaterondernemer Joop van den Ende. „Met oefenzalen en alles erop en eraan.”

Hij overhandigt me een kopie van zijn column in het blad Cityvisie. Het is een pleidooi voor ‘inbreiden’, een woord dat hij uitspreekt als „inbreien” en dat het tegenovergestelde betekent van uitbreiden. Niet bouwen, bouwen, bouwen, maar bestaande panden een nieuwe bestemming geven. De oude Renaultgarage in Amsterdam is daar een voorbeeld van. „Dat pand is mijn baby.” In het complex zitten nu restaurant Dauphine, de redacties van Het Financieele Dagblad en BNR Radio. „Wij hebben leven geblazen in een dood plein met een leegstaand gebouw.” Hij weet zo nog wel tien, twintig bedrijfslocaties in Utrecht, Rotterdam en Amsterdam die „ingebreid” kunnen worden. Je moet niet snel geld willen verdienen aan stenen, zegt hij. „Als ik een pand bezit, krijg je het niet meer uit mijn vingers. Ik ben een bouwer en een houwer. Ik investeer in kwaliteit.”

Voor we aan tafel gaan, laat hij op zijn iPad nog wat foto’s zien. Nu van zijn Lemsteraak Groenevecht waarmee hij in de Theems lag tijdens de Olympische Spelen afgelopen zomer in Londen. Vroeger zou hij daar hooguit een dag of vier de tijd voor hebben gehad. „Nu blijf ik mooi twee weken.” Ik zie Cor van Zadelhoff met een gouden medaillewinnaar, Cor van Zadelhoff met de staatssecretaris voor Sport, met de directeur van Heineken. De volgende foto’s veegt hij wat sneller door, ik kan net niet zien wie erop staan. Hij voorziet ze zelf, plagerig, van commentaar. „Oud goud, oud goud, nieuw goud [de medaillewinnaar].” Hij stopt bij een foto waar alleen hij op staat, met een oranje hoed en een opgestoken duim, de Tower Bridge op de achtergrond. „Mooi?” vraagt hij. „Hebben?” Nog voor ik iets kan zeggen, heeft zijn secretaresse hem naar me verstuurd.

Op tafel staan belegde bruine boterhammen klaar, een pak melk, flesjes water en voor ieder een bakje sla. Ik vraag of zijn afkeer van gokken en speculeren is ingegeven door zijn boerenverstand of ook nog door een religie „Ik geloof in alles en in niks. Ik ben humanist. Ik geloof in de menselijke maat.” Het communisme was altijd de vijand, zegt hij. „Maar het kapitalisme blijkt ook niet alles te zijn.” Nu ben ik perplex. Ik zeg dat het mensen zal verbazen dit uit zijn mond te horen. De mensen die hem kennen van zijn jaarlijkse poloparty, zijn zeiljacht en zijn landgoed aan de Vecht met paardenstal.

En vijftig koeien, vult hij aan. Limousins. „Koeien zijn lief, wist je dat?” Ik vraag waarom. „Ze spreken je niet tegen. En ze luisteren altijd.”

    • Rinskje Koelewijn