Geweld op het veld : spel is geen deel meer van de cultuur

Na het doodtrappen van een grensrechter bij een potje voetbal is het ludieke van de sport verleden tijd, vindt Coen Simon.

Nederland, Almere, 04-12-2012. Sfeerbeeld op voetbalclub S.C. Buitenboys nav het overleiden van een lid, grensrechter, die in elkaar is geslagen door spelers van een tegenpartij. Op foto: Veld waar strooilicht van een naastgelegen veld op valt. Foto: Olivier Middendorp

In het voorjaar van 2004 maakten we voor onze huwelijksreis een tiendaagse wandeling door Toscane. Het was zondagmiddag toen mijn kersverse vrouw en ik het stille en koele pension binnenstapten dat we hadden gereserveerd in het historische centrum van Siena. Aan de keukentafel noteerde de gastvrouw onze paspoortnummers, terwijl uit een radiootje achter haar het gedempte geluid klonk van een ratelende Italiaanse verslaggever.

Ineens hield ze haar pen stil om naar de stem te luisteren, toen vloog ze van haar stoel en begon te joelen voor het open raam. Van het witgepleisterde pand aan de overkant van de smalle steeg kwamen vreugdekreten terug. In gebroken Engels verontschuldigde de pensionhoudster zich. AC Siena, verklaarde ze, had zojuist een uitwedstrijd gewonnen en daarmee definitief degradatie voorkomen. De plaatselijke voetbalclub had het allereerste jaar in de Italiaanse serie A overleefd.

Heel Siena verkeerde die avond in vrolijkheid. En toen we na het diner terugliepen naar ons pension stond voor het stadhuis op het kleine Piazza del Campo de spelersbus, die werd toegezongen door een handvol Sienezen. Ik kan me niet herinneren dat er politie bij was. Ook niet toen de bus stapvoets door de smalle straatjes het centrum verliet met de sliert fans achter zich aan.

Dat is toch van een andere orde dan bijvoorbeeld de huldiging van het beursgenoteerde Ajax toen het in 2011 op het Amsterdamse Museumplein zijn landstitel vierde. Een woordvoeder van de gemeente liet meteen na afloop weten tevreden te zijn over de feestelijkheden, maar toen de rook eenmaal was opgetrokken, moest de gemeente toegeven dat het met 160 gewonden en een half miljoen euro schade toch wat minder feestelijk was verlopen.

Sindsdien is de huldiging uit het hart van Amsterdam weggehaald en verplaatst naar het excentrische Arenapark. Het verbannen van de viering van een kampioenschap naar een soort afwerkplek voor uitzinnigheid is symbolisch voor de plek die het spel vandaag de dag in de samenleving inneemt. Het spel vormt geen onderdeel meer van de cultuur, maar is een geprofessionaliseerde opzichzelfstaande amusementsmachine.

Dat geldt niet alleen voor voetbal, maar voor vrijwel alle van oorsprong ludieke sporten, van wielrennen tot darts. De winst van het spel wordt niet langer behaald op het veld, maar op de beurs. En de prijzen van deze sporters komen niet in de prijzenkast van de club, maar in de clubkas en op hun eigen rekening.

De historicus Johan Huizinga kondigde het in Homo Ludens (de spelende mens) uit 1938 al aan: „In de sport hadden we te doen met een activiteit, die bewust en erkend is als spel, die evenwel is opgevoerd tot zulk een graad van technische organisatie, materiële uitrusting en wetenschappelijke doordachtheid, dat in haar collectieve en publieke uitoefening de eigenlijke stemming van het spel dreigt teloor te gaan.”

De toename van de communicatiemiddelen zou er volgens Huizinga voor zorgen dat „techniek, publiciteit en propaganda” ook in de sport „de commerciële wedijver” zou uitlokken. En dan zien we driekwart eeuw later het resultaat: de dodelijke ernst van ‘voetbalanalisten’ in programma’s als Studio Voetbal, de commerciële hegemonie van de FIFA, de miljoenentransfers, de beursgenoteerde clubs en ten slotte de devaluatie van de sportliefhebber tot ‘amateursporter’.

Dat niemand nog opkijkt van de absurditeit van deze term bewijst alleen al dat het ludieke van de sport tot de verleden tijd behoort. Het langs de lijn verdwijnen van het joggingpak en het verschijnen van het maatpak is geen modegrill maar een culturele omslag die door de hele samenleving voelbaar is.

In het verlengde van deze ontwikkeling ligt het taalgebruik waarbij de term ‘sport’ zelfs staat voor serieuze economische activiteit, met de bijbehorende targets: ik denk aan ‘een andere tak van sport’ of het veelgebruikte ‘topsport’ door mensen die trots zijn op hun tachtigurige werkweek. Dat echte topsport allerminst sportief tot stand komt, maar vooral kan bestaan door geld- en dopinginjecties zien deze hardwerkende Nederlanders even over het hoofd.

Het ‘plezier van het spelletje’, zoals het dezer dagen voortdurend wordt genoemd, is niet pas om zeep geholpen door een stel raddraaiers dat al vele jaren geweld pleegt op en rond de sportvelden, maar door een verziekte cultuur die het resultaat is van de professionalisering van sport en van voetbal in het bijzonder, de marktleider aller sporten.

De blinde vlek hiervoor werd pijnlijk duidelijk bij de opening van Nieuwsuur afgelopen maandagavond toen net bekend was dat Richard Nieuwenhuis, grensrechter van de Almeerse Buitenboys, als gevolg van geweld op het voetbalveld was omgekomen. Nadat Twan Huys zijn overlijden meldt, leest sportpresentator Jeroen Stomphorst zonder blikken of blozen zijn tekst voor over het sportdeel van het dagelijkse actualiteitenprogramma: „Nederlandse voetbalclubs tellen al jaren niet meer mee aan de top, clubs met het grote geld hebben het voor het zeggen.”

Het zinloze en fatale geweld van vorig weekend is een van de trieste gevolgen van een samenleving waarin de rol van het ludieke is uitgepeeld ten bate van het grote geld.

„Echte cultuur”, schrijft Huizinga, „kan zonder een zeker spelgehalte niet bestaan.” Het belang van dit cultuurfilosofische inzicht kan voor onze individualistische en geseculariseerde samenleving nauwelijks worden overschat. Huizinga verklaart de noodzaak van het spel voor een cultuur namelijk uit de paradox van de menselijk conditie: aan de ene kant wil de mens definitieve antwoorden, aan de andere kant weet hij, als hij er even over nadenkt, dat het leven onmogelijk logisch kan worden gefundeerd. „Met het logisch doordenken der dingen reikt hij niet ver genoeg.”

Om een leven zinvol te maken, moet de mens er zelf zin aan geven. Nu het geloof en de ideologie, de zuilen en de vakbonden niet langer kunnen voorzien in deze behoefte aan zin, lijken we zelfontplooiing en zelfverrijking als de enige alternatieven te zien. Maar zoals een balletje trappen een einde maakt aan verveling, zo maakt het spel een einde aan zinloosheid.

Elk weekend zijn de sportvelden bezaaid met liefhebbers, die helaas amateurs worden genoemd. En die door de terreur van de voetbalanalyses van Jan van Halst cum suis denken dat er één manier is om het spel te spelen. „Het logisch doordenken der dingen”, da’s logisch, zou Cruijff zeggen. Zulk geredeneer met als doel de grootste overwinningen te behalen voor het grote geld produceert geen cultuur van spelers maar van betweters. Die elkaar op het veld maar ook in het dagelijkse verkeer om het eigen gelijk de tent uit vechten.

De winst van sportbeoefening wordt ook door de overheid hooguit economisch gewaardeerd, namelijk als preventie tegen twee grote ziektekostenposten: obesitas en stress. Maar sportbeoefening als oefening van het spel is om de reden van het spelelement van veel groter belang voor een samenleving. Het kunnen onderscheiden van spel en ernst is namelijk afhankelijk van een oordeelskracht die om voortdurende oefening vraagt.

Dat merk je al bij de kleuter die zich de grondbeginselen van het ganzenborden probeert eigen te maken. Je moet leren dat verliezen niet de bedoeling is, maar als je dan verliest mag je dat niet erg vinden – ’t is immers maar een spelletje. Je moet leren dat je niet weet wie er gaat winnen, en dat dát juist leuk is – ook als je hebt verloren.

Als Huizinga beweert dat een cultuur bestaat bij gratie van het feit dat deze speelt dat ze een cultuur is, dan heeft hij bij dit spel de ernst van het spelende kind in gedachten. Want, zo zegt hij, het spelende kind neemt het spel volstrekt serieus maar weet ieder moment dat het spel gespeeld is. „Het kind kan zich een ongeluk schrikken door het gebrul van wat hij weet, dat geen ‘echte leeuw’ is. ” En dat gaat op voor een hele cultuur: al weten we dat het geen echte leeuw is, we doen er alles aan hem niet in zijn hempie te laten staan.

Op dit snijvlak van ernst en spel is de mens een onzeker wezen dat nog weleens wil doorslaan naar een van de twee kanten, of door gratuit alles te spelen, of door heel serieus en angstig te roepen om meer respect voor autoriteit. In de discussie rondom de dood van de grensrechter van Buitenboys wordt gevraagd om strengere straffen, om slimmere regels („de buitenspelregel moet worden afgeschaft”) en om sterkere arbiters („geef ze een cursus zelfverdediging”).

Maar de arbitrage van onze samenleving – van grens- tot strafrechter – bewaakt het willekeurige beginpunt van onze gespeelde cultuur. De arbiter staat symbool voor de willekeurigheid van het spel dat de mens met zichzelf speelt. Ondanks die willekeurigheid moeten we zijn autoriteit respecteren, niet omdat hij gelijk heeft, maar omdat er anders geen spel meer is.

Om het spel weer terug te krijgen in het hart van de samenleving moeten we dus veel oefenen en niet luisteren naar analisten, en zeker niet alleen maar voetbal kijken, maar naar sport en spel in de volle breedte. En dat sluit helaas niet aan bij de professionele targets van chef de mission Maurits Hendriks die de beschikbare 39 miljoen euro aan topsportgelden niet in 180 maar in 55 topsportprogramma’s wil investeren. „We hebben de ambitie uitgesproken om bij de beste tien sportlanden van de wereld te horen.” Hij wil „het meeste geld bij de sporters met de meeste kansen” en hij noemt dat trots „harde keuzes”.

Inderdaad: kiezen voor financiële winst ten koste van ludieke winst blijkt een harde keuze.

Coen Simon is filosoof.