Een siervuurwerk van steen

De Griekse tragedie, de Russische roman, de Duitse Romantiek – Europa is meer dan een verzameling middel- puntvliedende krachten. In een wekelijkse serie over de cultuur die het continent bindt: de romaanse (bouw)kunst.

Het lijkt zo eenvoudig. Je hebt de bouwkunst van de Romeinen, tot het einde van de vijfde eeuw, je hebt het tijdperk van de gotiek, vanaf het midden van de twaalfde, en wat daartussen zit is de romaanse kunst. Maar nee, het woord romaans (dat pas bedacht is in de negentiende eeuw) wordt gebruikt voor de cultuur van de tiende tot en met de twaalfde eeuw – toen heel Europa symmetrische kerken met dikke muren, ronde bogen en strakke versieringen bouwde, alsmede dito bruggen, kastelen en abdijen. Je kunt de periode nog wat oprekken, door sommige negende-eeuwse gebouwen in Duitsland en Spanje of geïllustreerde manuscripten als het Ierse Book of Kells (circa 800) aan te duiden als preromaans. Maar alles wat daarvoor kwam, hoort er stilistisch niet bij. Na de val van het Romeinse Rijk was de bouwkunst in verval geraakt, waren de klassieke ordes vergeten en was het hoogst haalbare in de architectuur de benadering van een groot voorbeeld. Zo werd de achthoekige Paltskapel van Karel de Grote in Aken rond 800 gebouwd als kopie van de San Vitale in Ravenna, een Byzantijns-Romeinse basiliek uit de zesde eeuw.

Karel werd door de paus gekroond tot keizer van het West-Romeinse Rijk en zag zichzelf als de heerser die het nieuwe Rome ten noorden van de Alpen gestalte zou geven. Daar hoorde ook een herneming van de antieke bouwkunst bij die over alle gouwen verspreid moest worden en die de basis werd voor de experimenten met rondbogen, spaarnissen, arcaden en gaanderijen van later eeuwen. Toch waren het niet de seculiere machthebbers die het meest bijdroegen aan de ontwikkeling en verbreiding van de ‘romaanse’ stijl, maar de benedictijnse monniken van Cluny, die vanaf het midden van de tiende eeuw bouwden aan een abdij die het voorbeeld zou worden voor kerken en kastelen van Polen tot Spanje en van de Britse eilanden tot Sicilië: symmetrisch, langgerekt, met flink wat hoge torens en halfronde uitbouwtjes die in de ogen van de moderne beschouwer uit een ouderwetse blokkendoos lijken te zijn gehaald. En hoewel er van het originele Cluny in de Bourgogne weinig over is gebleven, kun je staande voor de Dom van Spiers (begonnen in 1030) een goed idee krijgen hoe imposant het complex eens was.

Binnen twee eeuwen bezat Europa een netwerk van romaanse kerken, gevuld met relieken van bijbelse prominenten die door de kruisvaarders waren meegenomen uit het Heilige Land. De meeste lagen aan de vele wegen die leidden naar Santiago de Compostela in Galicië, waar de botten van de discipel Jacobus de Meerdere werden bewaard in een reusachtige romaanse kathedraal. En bijna allemaal waren het Gesamtkunstwerke, waaraan ook werd bijgedragen door boekverluchters, frescoschilders, glas-in-loodmakers, goudsmeden en niet te vergeten beeldhouwers. Een millennium later kun je je nog steeds vergapen aan de duizend-en-een manieren waarop de oude meesters zich uitleefden op de kapitelen en de friezen binnen en buiten de kerk. De Bijbel was een onuitputtelijke inspiratiebron, maar ook met de niet-figuratieve versiering – spiralen, religieuze en heidense symbolen, wijnranken en andere plantenmotieven – werd eer ingelegd. En de allergrootste kunstenaars combineerden concreet met abstract, bijvoorbeeld in het kapiteelreliëf van de gehangen Judas in de Saint Lazare-kathedraal te Autun, waarop twee duivels met vurige lokken de verrader ophijsen te midden van een vuurwerk van bloemen.

De maker van de Judas van Autun – ook de schepper van een ontroerende Eva en een enorm timpaan met het Laatste Oordeel – was een van de weinige romaanse beeldhouwers die hun werk signeerden: Gislebertus. Zo weten we bijvoorbeeld niet wie de man is die de timpaan van de Église Sainte-Foy in het Zuid-Franse Conques versierde met misschien wel het allermooiste Laatste Oordeel uit de romaanse periode. Een halve cirkel waarin we Christus als rechter in het midden op zijn troon zien zitten, omringd door negen scènes uit de Apocalyps. Niet alleen het zeemonster dat de verdoemden opvreet (om ze in de hel weer uit te poepen) spreekt tot de verbeelding, maar ook de vredige ontvangst van de uitverkorenen in het hemelse Jeruzalem. En dat zijn maar twee van de vele zoekplaatjes.

De romaanse kunst en architectuur hebben talloze hoogtepunten opgeleverd, van de robuuste kathedraal van Lissabon en de gestreepte façade van de Notre Dame du Puy en Velay tot het geborduurde Tapijt van Bayeux, het schitterend versierde Psalter van St Albans en de beschilderde crypte van San Isidoro in Léon. Maar het bekendste pronkstuk van het romaanse erfgoed bevindt zich in Italië, op het plein achter de dom van Pisa. De 56 meter hoge torre pendente heeft zijn faam te danken aan het feit dat hij bijna vier graden uit het lood hangt – nog heilig vergeleken bij de hoek van 5,5 graden die hij vóór de restauratie van 1990-2001 maakte. Toch had hij ook zonder dat een toeristische attractie kunnen zijn, als een van de fraaist versierde ronde klokkentorens van Italië. Zeven verdiepingen hoog, met rondlopende zuilengaanderijen van wit marmer en gebouwd tussen 1173 en 1350, is hij zowel een icoon van de romaanse bouwkunst als een symbool van de Toscaanse renaissance. En al overhellend en internationaal beroemd sinds 1178! Hetgeen de Scheve Toren een perfecte locatie maakt voor het apocriefe verhaal dat Galileo Galilei rond 1590 twee kanonskogels van verschillend gewicht van een toren gooide om te bewijzen dat de een niet harder naar beneden viel dan de andere.