Dat gratis online Harvard concurreren komt ook hier Een belangrijk alternatief voor universiteit dure

In de VS groeit online particulier hoger onderwijs snel. Het is nog gratis en zo vlot en sociaal als Facebook. Nederland moet zich daar ook op voorbereiden, anders wordt straks al het hoger onderwijs omgeven door reclameboodschappen, vindt José van Dijck.

Foto Corbis

Toen Sebastian Thrun, hoogleraar computerwetenschap aan Stanford University en werkzaam bij Google, in 2011 zijn cursus artificial intelligence voor eerstejaarsstudenten online aanbood, verwachtte hij in z’n stoutste dromen 10.000 deelnemers. Het werden er 160.000, afkomstig uit 190 landen. Uiteindelijk behaalden 23.000 de eindstreep met een certificaat. Dat was nog eens wat anders dan de 200 studenten per jaar die een hoogleraar gemiddeld bedient. Vanaf dat moment was Thruns missie om het hoger onderwijs revolutionair te hervormen; hij stichtte Udacity en stelde zich als doel de wereld van gratis online onderwijs te voorzien.

Inmiddels komen de nieuwe Massive Open Online Courses (of MOOCs) overal op: naast de al sinds 2006 bestaande Khan Academy zijn vorig jaar Coursera and EdX gestart [zie kader]. Gefinancierd met privaat geld storten deze start-ups zich gulzig op een nieuwe online groeimarkt: het (hoger) onderwijs. Sommige initiatieven groeien harder dan Facebook in zijn gouden jaren. Udacity en Coursera (‘a hub for learning and networking’) willen het hele hoger onderwijs ‘sociaal’ maken volgens de principes van Facebook en LinkedIn. Onderwijs moet toegankelijk zijn voor massa’s, aantrekkelijk zijn, toegespitst op de ervaringen van individuele studenten en passen bij de socialemediabeleving van jongeren. En de belangrijkste overeenkomst: MOOCs zijn gratis.

Met name dit laatste is niet aan dovenmansoren gericht. Het hoger onderwijs in westerse landen, de VS voorop en Engeland als goede tweede, kampt met een groot probleem: kwaliteit en individuele aandacht kost veel geld. Voor een gemiddelde vierjarige bacheloropleiding moet in de VS inmiddels meer dan 100.000 dollar worden betaald. In Engeland gingen de collegegelden enkele jaren geleden fors omhoog naar gemiddeld 9.000 pond per jaar en betalen studenten (of hun ouders) al gauw zo’n 50.000 pond voor een basale academische opleiding. Zelfs de Open University in Engeland, opgericht in 1969 met als doel om hoger onderwijs voor velen aan te bieden, is geen koopje meer met 5.000 pond collegegeld per jaar. Voor veel westerse jongeren is een goede universitaire opleiding onbetaalbaar geworden, laat staan voor kinderen uit Honduras of Mozambique.

Bieden online universiteiten een uitkomst voor de nationale stelsels van hoger onderwijs, die gebukt gaan onder aanhoudende bezuinigingen en stijgende kosten? Of vormen zij een bedreiging voor een gereguleerde sector die, vooral in Europa, altijd huiverig is geweest voor mondiale commerciële spelers omdat ze de nationale curricula en zorgvuldig opgebouwde internationale samenwerkingen kunnen doorkruisen? Welke wending deze ontwikkeling ook neemt, in ieder geval gaan deze ‘sociale’ cursussen het hoger onderwijs op vele manieren veranderen, van didactische praktijken tot selectie en doorstroom van studenten.

MOOCs beloven niet alleen hoger onderwijs voor velen; de oprichters van Udacity en Coursera beweren ook dat online educatieve platformen de inhoud en didactische vormen van het reguliere onderwijs fundamenteel gaan veranderen. Voor jongeren die het grootste deel van hun dag online bezig zijn, is een hoorcollege statisch, saai en vooral: niet interactief. Maar ook werkgroepen en klassikale interactie zijn volgens Sebastian Thrun (Udacity) en Daphne Koller (Coursera) niet zo effectief. Althans, die effectiviteit is nauwelijks meetbaar, laat staan corrigeerbaar.

Online cursussen kennen een breed spectrum aan werk- en overdrachtsvormen. Zo zijn er videocolleges van hoogleraren die aantrekkelijk en afwisselend zijn, zonder al te lange monologen en onderbroken door ‘quizzes’ en ‘tutorials’ waarmee getest wordt of studenten de stof begrepen hebben. Cursussen van de Khan Academy zitten vol game-elementen, beloningen en andere gimmicks die leren ‘leuk’ moeten maken. Naast kennisoverdracht zijn er meer ‘sociale’ onderwijsvormen: studenten kunnen elkaar helpen tijdens zogenaamde hangouts en groepsontmoetingen via Skype-achtige interfaces. Hier geven cursisten elkaar feedback of discussiëren over de stof, al dan niet samen met de docent. Online educatie wordt gepresenteerd als een vruchtbare combinatie van leren, entertainment en socialiseren.

Het online evalueren en beoordelen van student-prestaties is eenvoudig bij informatica of wiskunde: sommen of meerkeuzevragen kunnen geautomatiseerd worden nagekeken. Voor niet-exacte vakken ligt dat moeilijker; bij geschiedenistoetsen of poëzieanalyse gaat het immers om het beoordelen van interpretaties of schrijfvaardigheden, wat bij een deelnemersaantal van enkele duizenden wel erg bewerkelijk is voor docenten. De ontwikkelaars zoeken hard naar alternatieven voor kostbare individuele feedback, zoals crowdsourcing. Studenten die zich bij Coursera inschrijven voor Engelse literatuur leren eerst hoe ze feedback moeten geven aan medecursisten. Er zitten echter nog veel haken en ogen aan online beoordelingen.

MOOCs zijn tot op heden geen geaccrediteerde opleidingen of zelfs maar door universiteiten erkende cursussen, hoewel dit wel de bedoeling is. Studenten krijgen na afloop een pdf-certificaat, waarvan de waarde op de arbeidsmarkt onduidelijk is. Voor Udacity en Coursera geldt dat zij hun eigen markt en marktwaarde creëren. Juist in het massale bereik van deze cursussen ligt de grootste uitdaging en mogelijk ook het belangrijkste verdienmodel. Harvard en MIT hebben met EdX nog een ander oogmerk: behalve dat de academische bolwerken aan de Amerikaanse oostkust zich niet kunnen permitteren achter te raken bij deze technologische ontwikkeling, zien zij vooral ook mogelijkheden op het gebied van onderzoek naar online leerstijlen en softwareontwikkeling.

Het is geen toeval dat vrijwel alle MOOCs tot nu toe zijn gestart door computerwetenschappers. Leergedrag wordt vertaald in code om het vervolgens bij te sturen. Datagestuurd leren lijkt wel een nieuw geloof: hoe meer we weten over hoe mensen online oplossingen zoeken en welke fouten ze maken, des te beter kunnen we ze dirigeren naar een meer efficiënte kennisverwerking. Eigenaren van deze algoritmes kunnen elke beweging van cursisten volgen en hun gedrag analyseren. De cursussen van Coursera zijn zelfs ontworpen met dit doel voor ogen. Mogelijk beschikken MOOCs binnen een paar jaar over meer gedragsdata dan enige andere institutie ter wereld ooit heeft gehad.

Maar wat gebeurt er verder met deze data? Waar worden ze wel en niet voor gebruikt? Wie een beetje heeft gevolgd hoe platforms als Facebook en LinkedIn zich hebben ontwikkeld van online sociale netwerken naar databedrijven, zal onmiddellijk parallellen zien. De overeenkomst zit niet alleen in de verplichting om een profiel aan te maken en persoonlijke gegevens uit te wisselen, maar ook in het ongebreideld verzamelen van gebruiksdata. Uit deze data kunnen onderzoekers ongetwijfeld veel leren, maar ze geven ook oneindig veel gelegenheid tot privacyschending en misbruik. Wat precies de educatieve doelen zijn van MOOCs wordt niet echt duidelijk; hun websites zeggen weinig over de achterliggende filosofie van data-driven learning, behalve dat gedragsgegevens veel inzichten opleveren. In de economie van Silicon Valley zijn data de nieuwe goudmijnen en het is dan ook geen wonder dat juist Google en Microsoft de grootste investeerders in Udacity en Coursera zijn.

De grootste overeenkomst tussen sociale netwerken en MOOCs zit in het verdienmodel: beide typen platforms zijn gratis voor iedereen toegankelijk. Maar de initiatiefnemers van Udacity en Coursera stellen onomwonden dat hun doel is het datagestuurd leren commercieel exploiteerbaar te maken. Nu wordt er nog niet gesproken over adverteerders; Marc Zuckerberg deed dat de eerste jaren ook niet. Toch is dat een zeer waarschijnlijk verdienmodel: adverteerders hebben niets liever dan een doelgroep van jonge, ambitieuze gebruikers die ze op basis van datapatronen gepersonaliseerde aanbiedingen kunnen sturen.

Een andere inkomstenbron is mogelijk geïnspireerd door LinkedIn: (toekomstige) werkgevers kunnen uit de cursusresultaten analyseren wie de knapste koppen zijn voor hele specifieke en hoog gespecialiseerde taken. Ze krijgen direct inzicht in het sociale gedrag van hun mogelijke werknemers: wie hielp andere cursisten? Hoe snel en loyaal stelden ze zich op? Een assessment is straks niet meer nodig: bedrijven zullen je tijdens je studie ongemerkt volgen en scouten.

De non-profit MOOCS (EdX, Khan Academy) zullen zich minder richten op de exploitatie van gebruikersdata, maar zijn wel geïnteresseerd in datatracering en online educatie als een wetenschappelijk studieobject. Harvard en MIT hebben als doel de wereldbevolking hoger op te leiden en vooral de miljoenen mensen te bereiken die geen opleiding kunnen betalen. Ondertussen zoeken de Ivy League-instituten ook naar de slimste studenten die misschien wel in Pakistan of Honduras wonen en normaal gesproken geen kans maken op hoger onderwijs. Juist die uitzonderingen zijn eenvoudig op te sporen door middel van deze platformen, zodat ze alsnog geselecteerd kunnen worden voor een plek op de beste universiteiten van Amerika. Harvard en MIT zijn geen publieke universiteiten; het zijn wereldspelers op een educatieve markt waar zij kansen zien om hun merknaam te bestendigen.

Het is ironisch dat de snelle opkomst en het succes van deze particulier gefinancierde MOOCs ten dele te danken is aan de afbraak van het „hoger onderwijs voor velen” in de publieke sector. In Amerika zijn de collegegelden voor particuliere universiteiten astronomisch, maar zij zullen hun geselecteerde klanten niet verliezen aan deze nieuwe initiatieven. De grootste verliezers zullen de Amerikaanse publiek gefinancierde colleges zijn, die door terugloop van overheidsfinanciering steeds duurder worden. Ook in Engeland moeten publieke universiteiten met steeds minder belastinggeld steeds meer studenten opvangen, en het is dan ook niet verwonderlijk dat Edinburgh zich al aangesloten heeft bij Coursera. Als grote aantallen studenten om financiële redenen afhaken, ontstaat een aantrekkelijke private markt.

Nederland is tot op heden gezegend met een relatief hoogwaardig, voor velen toegankelijk en vooral betaalbaar aanbod aan publieke universiteiten die allen tot de top 200 van ’s werelds beste instellingen horen. We zouden dan ook kunnen concluderen dat we ons hier niets aan hoeven trekken van deze ontwikkelingen in de VS. We kunnen MOOCs wegwuiven als een typisch verschijnsel voor een land waar commercieel onderwijs toch al de norm is.

Toch is dat denk ik onverstandig. In de eerste plaats omdat er aan deze massale online cursussen bruikbare elementen zitten zoals online didactische werkvormen. Leerprocessen ondervinden sowieso veel invloed van sociale media en het is dan ook relevant deze te onderzoeken. Daarnaast kan geen enkel nationaal onderwijssysteem zich onttrekken aan globale ontwikkelingen, en het is naïef te denken dat MOOCs een trend zijn die wel weer overwaait. Silicon Valley zal het onderwijs even goed weten uit te baten als zoekmachines en sociale contacten.

Nederland zou voorop kunnen lopen is in manieren om online educatieve middelen in het publieke domein beschikbaar te maken en te houden, om zinvolle elementen in te zetten in onderwijspraktijken en uit te vinden wat werkt en wat niet. Dat is een heel andere missie dan de goldrush van Udacity en Coursera of de zoektocht naar diamantjes in datamijnen, zoals EdX voorstaat. Als we niet willen dat studenten voor onderwijs gaan betalen door de ontvangst van commerciële boodschappen of door het vrijgeven van hun persoonlijke data, moeten we manieren vinden om online educatie in te passen in de publieke sector.

José van Dijck is hoogleraar mediastudies aan de Universiteit van Amsterdam