Wat is een Rotterdammer ?

Straattaal. Realisme. Zakelijkheid.

Drie boeken over en van Rotterdamse literatoren moeten bewijzen dat er zoiets als Rotterdamse literatuur bestaat.

enk ik aan Rotterdam, dan denk ik aan ‘Rotterdam’, het gedicht van de Rotterdamse dichter Riekus Waskowsky over de grote Rotterdammer Erasmus. Het is het openingsgedicht van zijn eerste bundel, Tant pis pour le clown (1966). Hij beschrijft zijn standbeeld, en zijn gedachtegoed, en de zotheid van zijn tegenstanders, in een lekkere losse prozatoon, met veel ironische wendingen. Erasmus had alle reden om niet meer naar Nederland te willen terugkeren – en dus ook niet naar Rotterdam. Aan het slot citeert Waskowsky uit een brief van Erasmus uit 1527. Hij had in Italië en Frankrijk gewoond. Nu woonde hij in Bazel. Aan zijn assistent Nicolaas Cannius, die op het punt stond om op reis te gaan, gaf hij dit advies mee: „Gij moet volgens mij geen kosten maken / om Holland terug te zien.”

Je zou zo’n gedicht, met die fijne Rotterdamse zelfspot, terug verwachten in een dik boek dat Rotterdam heet en dat volgens samensteller Oscar van Gelderen ‘een met veel liefde en zorg samengestelde [...] schatkist vol Rotterdamse juwelen’ wil zijn. Maar het staat er niet in. Erasmus ook niet. J.H. Leopold ook niet. Alfred Kossman (van de bundel Rotterdammer, zo ik iets ben) ook niet. En Jules Deelder ook niet. Wat dan wel? Een heleboel andere Rotterdamse schrijvers. Riekus Waskowsky staat erin. Niet met zijn Rotterdam-vers dus, maar wel met een integrale herdruk van zijn tweede bundel Slechts de namen der grote drinkers leven voort (1968). Er staat een bloemlezing in, van ruim dertig bladzijden, uit de nagelaten gedichten van Cornelis Bastiaan Vaandrager. Een nooit eerder gepubliceerd verhaal van Robert Loesberg. Vijftien korte erotische verhalen van A. Moonen. Een ruime selectie uit de teksten die Jan Hoek zo te zien regelrecht van internet haalde (‘Marktplaatspoëzie’).

En dan zit er ook nog een soort schrijversprentenboek bij over het tijdschrift De Nieuwe Stijl, waarmee Armando, C.B. Vaandrager, Hans Verhagen en Hans Sleutelaar in 1965 en 1966 furore maakten. In 17 artikelen, interviews, beschouwingen en herinneringen wordt hier teruggeblikt op de merkwaardig strakke, korte, harde, zakelijke, realistische literatuur die daarin werd gepropageerd. En dan is er in Rotterdam ook nog een hele nieuwe aflevering opgenomen van het Rotterdamse tijdschrift Strak, met vijftien bijdragen van vijftien gemiddeld wat jongere schrijvers en dichters die zich nog steeds wel thuisvoelen bij de strakke literatuuropvattingen van Gard Sivik en De Nieuwe Stijl van vijftig jaar geleden.

Dit dikke Rotterdamboek wil dus een heleboel dingen tegelijk zijn. Documentaire, bloemlezing, tijdschrift, bundel, herdruk, eerbetoon, nostalgische terugblik, frisse vooruitblik, en bij dat alles ook nog een lekker bladerboek met feelgood-functie. Een grabbelton, zonder al te veel kritische distantie of verantwoording. Waarom zou Jules Deelder er niet in staan? Of Casper van den Berg? Bob den Uyl? Waarom zou de tweede, en niet de eerste bundel van Waskowsky hier opgenomen zijn? Had Ester Naomi Perquin er ook in gekund? Rotterdam wil, althans volgens de uitgever, onderdeel uitmaken ‘van een heus offensief om de Rotterdamse literatuur c.q. literatoren weer op de kaart te zetten.’ Daarbij horen ook de heruitgave van het prozadebuut van Vaandrager (Leve Joop Massaker, 1960) en van de roman Enige defecten (1974) van Robert Loesberg.

In de praktijk komt het allemaal vooral neer op de omarming van een bepaalde houding, van wat Van Gelderen in zijn voorwoord ‘het Rotterdam-gevoel’ noemt: ‘de compromisloze auteur, die kaal en afgemeten schrijft, zakelijk en trefzeker, en niet buigt voor mainstream of plat vermaak.’ Dat klinkt altijd goed. En het werkt ook goed zolang er goed geïsoleerd wordt. Tekst uit de werkelijkheid halen, goed afsnijden, geen context, scherpe randen, niks meer aan doen. Men spreekt wel van de cut-up-techniek. Door isoleren plotseling intensiveren. Je vindt het terug in de korte teksten van Vaandrager. Hij was er voor mijn gevoel het beste in, al is het moeilijk om te zeggen waar hem dat nu in zit. Het goede gevoel voor taal, voor stijlen, voor toontjes en maniertjes, en dat dan precies goed uitgelicht. Dan zie je op een verder lege pagina alleen dit:

De Menigte is de beste schuilplaats

Of dit:

In alle staten.

Tot alles in staat.

Ik ga daar verder niks over zeggen, dat lijkt me niet de bedoeling – behalve dan dat ik het wel sterke, sprekende regels vind. En dat ik dat toch ook weer niet van alle teksten kan zeggen. Van de Gebr. De Waan is er een lege pagina met daarop deze bewering:

Niks is zo nuttig als een

Hulplamp

Die spreekt mij wel aan. Dat komt vermoedelijk door de tegenstelling tussen opperste nuttigheid en onderdanigheid. Het is geen hoofdlamp, maar een hulplamp. Maar wel een hulplamp met Hoofdletter! Van dezelfde Gebr. De Waan is er een lege pagina met daarop alleen maar de gevonden tekst ‘Onsteek / Uw / Lichten’ – en daar zie ik dan verder helemaal niets in, of achter.

Wat zich hier in het klein met losse regels voordoet, doet zich in de Rotterdamse literatuur in het groot ook voor. De grens tussen trefzeker en flauw is dun. Realisme is mooi, maar veel realisme is vaak heel vervelend. De pornoverhalen van A. Moonen zijn helemaal niet ‘compromisloos, kaal, afgemeten, zakelijk en trefzeker’, zoals Van Gelderen graag wil, maar oeverloos, opsommerig en stilistisch niet erg bijzonder. Dat geldt ook voor de vele zouteloze, van Marktplaats gehaalde berichten in de Marktplaatspoëzie van Jan Hoek. Of voor de gynaecologische exercities van ene Alfred Tampeloeres Kwak. En is die debuutnovelle van Vandrager, Leve Joop Massaker, nu werkelijk zo bijzonder? Ik kon er niet veel meer in lezen dan het zoveelste angstige kleine-jongetjes-verhaal uit de jaren vijftig. Het is wel vergeleken met Werther Nieland van Gerard Reve, maar haalt het daar niet bij. Het niveau is dus nogal wisselvallig. Riekus Waskowsky neemt in The doors of perception alledaagsheden op als ‘Als het niet bestaat zie je het / ook niet’, op een verder lege bladzijde. Maar ook een wonderlijke anekdote als deze:

LOURDES

Toen hij uit de Grotte Miraculeuse kwam

zaten er in elk geval

2 nieuwe banden aan z’n invalidewagentje.

Dat is grappig, maar ik verbeeld me ook dat hier wel degelijk geraakt wordt aan het wezen van wat geloof is. Onder de harde buitenkant van een harde grap, een strakke uitsnede, een op zichzelf staand citaat gaat in Rotterdam vaak veel gevoel schuil: angst, eenzaamheid, geloofstwijfel.

Er is de samenstellers veel aan gelegen om te denken dat er zoiets als Rotterdamse literatuur bestaat. Waarom eigenlijk? Wij raken hier aan de bloed- en bodemkwestie. Hoe meer de nadruk op het typisch Rotterdamse wordt gelegd, hoe moeilijker het voor niet-Rotterdammers moet zijn om er dan nog iets van de snappen. Dat kan toch niet de bedoeling zijn. En dan nog: wat is een Rotterdammer? Zelfs van Erasmus is niet eens zeker of hij in Rotterdam geboren is. Hij is er in ieder geval niet verwekt, en zijn ouders kwamen er niet vandaan, en hij heeft er maar drie jaar gewoond. Wat is de overeenkomst tussen Erasmus en Jules Deelder? Wat hebben J.H. Leopold en Frans Vogel gemeen? Zou Nico Dijkshoorn niet ook heel goed een Rotterdammer kunnen zijn?

Het enige dat je over het Rotterdamgevoel kan zeggen is dat het in de jaren zestig Rotterdam aandeed, maar niet alleen Rotterdam. Stadspoëzie. Kaal. Concreet. Flarden uit het echte leven. Straattaal. Realisme. Zakelijkheid. Het bleef op bepaalde plekken in Rotterdam hangen, maar niet alleen daar. Het is van alle tijden. Jonge dichters kunnen zich er door aangetrokken voelen, maar niet alleen jonge dichters in Rotterdam. Ik blader door de nieuwe aflevering van het tijdschrift Strak en lees daar:

Met de juiste zoekterm tref je

100den filmpjes van mensen

die levend aas aan hun piranha’s voeren.

aquaria op naam van internetgebruikers

die ook hun kinderen filmen,

hun vakanties.

de roofdieren wachten van 9 tot 5

in een leeg huis.

Het is een kort, zakelijk, concreet gedicht. Maar wat een sterk arrangement. Eerst die piranha’s, en het levende aas. Dan de kinderen, en de vakantie, en de leuke vakantiefilmpjes. En dan de dreigende regel: ‘de roofdieren wachten van 9 tot 5 / in een leeg huis.’ Je ziet het voor je. En je bent er ook niet gerust op. Wat gaan de hongerige roofdieren doen als de kinderen thuiskomen? Het lijkt, in de verte, wel op de verzen van Armando, Vaandrager, Verhagen en Sleutelaar. Je zou het al haast een Rotterdams gedicht kunnen noemen. En je zou je er Rotterdamse piranha’s in Rotterdamse aquaria in Rotterdamse lege huizen bij voor kunnen stellen. Van de dichter weet ik dat hij Daniel Vis (1988) heet. Hij woont in Utrecht.

    • Guus Middag