Column

Voor altijd jong

Onlangs zag ik weer eens die foto die je een tijdlang heel veel zag: een mooi meisjesgezicht gemonteerd op het lichaam van een oude vrouw, maar zo dat er van geen montage sprake lijkt. Je kunt er je ogen niet van afhouden. Het is een tegelijkertijd afstotelijk en fascinerend beeld – zelden zie je zo enorm zichtbaar wat de tijd doet. We weten allemaal wat voor lichaam zo’n meisje hoort te hebben, we zien zulke lichamen elke dag overal op de reclameposters – zou er ooit een tijd geweest zijn waarin je zó veel vrijwel naakte vrouwenlichamen zag?

De tijd heeft al dat gladde, jonge, strakke vel los en rimpelig gemaakt. De vormen vervaagd. Het lichaam zwaarder en tegelijkertijd brozer gemaakt.

Maar dat is niet wat je schokt, of wat je probeert te ontdekken als je gebiologeerd naar die foto kijkt. Het is alsof je een heel leven in één moment ziet. Het gladde jong-zijn, het rimpelige oud-zijn. En hoe die twee niets van elkaar weten.

Lang geleden zat ik bij een lezing naast een oude vrouw. Ik keek naar haar handen, de dunne huid, de duidelijke aderen, levervlekken. Ik keek naar mijn eigen handen, zorgeloos glad. En ik probeerde me uit alle macht voor te stellen dat die vrouw naast me ook zulke handen had gehad, dat zij niet ‘nu eenmaal’ oude handen had. Voor wie jong is, hebben oudere mensen gemakkelijk een soort vanzelfsprekende ouderdom, het zijn geen oudere verschijningsvormen van ooit jong geweeste gestalten. „Toen ik zo oud was als jij”, zeggen ze, maar ach wat, jij bent nóóit zo oud geweest als ik nu, want ik ben jong.

Andersom voelt het niet zo. Oudere mensen kijken naar jeugd en denken bijna meteen hoe mooi en hoe vergankelijk die is. Maar ja, er is geen zinlozere aanmoediging dan ‘geniet ervan’, want je ‘hebt’ je jeugd helemaal niet, als iets fijns om van te genieten. Je bent je jeugd. En later zeg je dat je hem had. Een veelbetekenende verandering van werkwoord.

Je eigen jonge gestalte, je vroegere verschijningsvorm, is raadselachtig. Je was die persoon en enerzijds lijkt je dat onwaarschijnlijk, iets wat ze maar zeggen, anderzijds heb je nog weet van allerlei gevoelens en gedachten, bén je dat jonge zelf nog.

In een gedicht dat hij Een college noemt, kijkt de Poolse dichter Czeslaw Milosz (1911- 2004) terug naar de jonge man die hij 55 jaar eerder was. 55 jaar geleden was het 1932, voor de oorlog. Hij stelt zich die jonge man en zijn vrienden voor, aan een meertje, zonnebadend en pratend – hoe ze geen benul hadden van wat hun te wachten stond, hoe achter hen het landschap, Joodse dorpjes, gave steden lagen, vanzelfsprekend alsof ze eeuwig zouden blijven.

Ze hadden geen idee.

Ik had… ik had wat vijfenvijftig jaar geleden? Hij had plezier moeten maken, in vertrouwen, vreugde, vrede, harmonie moeten leven. Alsof dat had gekund.

De generatiekloof vindt eigenlijk ook plaats in jezelf. Het is voor de oudere persoon die je later bent niet altijd begrijpelijk hoe je destijds reageerde, hoe je toen niet zag wat er aan de hand was.

Zelf kun je als het ware via een weg binnendoor enigszins terugkeren naar die vreemdelingen daar in het verleden. Een hedendaagse jongere die met je meekijkt naar foto’s, verhalen, films, naar de geschiedenis, heeft dat niet. Die zegt gewoon keihard: jullie zorgden toen goed voor jezelf en dachten niet aan mij, nu.

Nee, dat klopt. Alles wat een poosje hetzelfde blijft, lijkt na enige tijd voor eeuwig. Achteraf ging je jeugd snel voorbij, maar toen je hem ‘had’, was dat helemaal niet zo. Toen was je altijd jong. Toen ging het voor altijd goed.

De jongeren van nu denken misschien weleens aan hun eigen pensioen, maar ze denken heus niet aan het pensioen van hun kleinkinderen.

Raar eigenlijk dat het meteen weer over geld gaat als je nu aan generaties denkt. De jonge vrouw met haar jonge handen die verwonderd naar de oude handen van haar buurvrouw zat te kijken, dacht beslist niet aan een pensioen. Ook niet aan de economie, marktwerking, bonussen. Ze had nog geen weet van internet, aandeelhouderskapitalisme, mediacratie, een Nederland dat ‘sterker’ zou worden als we zouden snijden in hulp voor zieken en invaliden.

Wat haar te wachten stond, is, tot nu toe, niets in vergelijking met wat de jonge man van Milosz te wachten stond. En ik ben ook nog helemaal zo oud niet als Milosz toen hij terugkeek. Maar als je die foto ziet, van die twee vrouwen die er één geworden zijn, een oude en een jonge, is het net of je naar de twee kanten van je leven kunt reiken in één beweging, alsof je twee tijden kunt verenigen en kunt wéten.

Wat dan? Tja. Zoals iedereen die toen en daar leefde, zag ik niet scherp/ dat beken ik jullie, mijn jonge studenten.