Van skater tot jihadstrijder

Omar Hammami had een onopvallende kindertijd in de VS. Nu heet hij Abu Mansoor, vecht hij in Somalië en is hij de meest gezochte Amerikaanse jihadstrijder.

Weapons seized along with four suspected members of Al Shabaab, the Somali Al-Qaeda-linked militant group, are seen following their capture during a joint security operation conducted by AMISOM soldiers and Somali security services in the Torfiq and Yaaqshiid areas of the capital Mogadishu in this handout photograph taken March 22, 2012 and released by the African Union-United Nations Information Support Team. The four men, all in their mid-twenties, were found in possession of a rocket propelled grenade, two sub-machine guns and 84 rounds of ammunition, which they have been using to launch attacks against Somali and AU forces. Picture taken March 22, 2012. REUTERS/AU-UN IST/Stuart Price/Handout (SOMALIA - Tags: CIVIL UNREST MILITARY CRIME LAW) FOR EDITORIAL USE ONLY. NOT FOR SALE FOR MARKETING OR ADVERTISING CAMPAIGNS. THIS IMAGE HAS BEEN SUPPLIED BY A THIRD PARTY. IT IS DISTRIBUTED, EXACTLY AS RECEIVED BY REUTERS, AS A SERVICE TO CLIENTS Reuters

Correspondent Verenigde Staten

Montgomery. De jeugd van Omar Hammami is net zo saai Amerikaans als zijn geboorteplaats Daphne, een slaapstadje in de staat Alabama. Als kind blonk hij uit in voetbal, bezocht hij op aandringen van zijn evangelische moeder Jezus-kampen, en verdiepte hij zich in skaten en rapmuziek. „Omar was altijd een jongen met gewone ambities. Niets bijzonders”, zegt zijn vader, Shafik Hammami, die nog altijd in een buitenwijk van Daphne woont.

Hammami wil weinig kwijt over zijn zoon. Hij wordt emotioneel, zegt hij, als hij over hem praat. Hij ziet de 28-jarige Omar al jaren niet meer. Die heet duizenden kilometers verderop, in Somalië, Abu Mansoor al-Amriki (‘de Amerikaan’). Daar is hij, volgens de CIA en FBI, een leider van de islamitische terreurbeweging al-Shabaab. Hij vecht tegen de Somalische regering voor de stichting van een islamitisch kalifaat. Sinds 2010 wordt hij in de Verenigde Staten van terrorisme verdacht. Een paar weken geleden plaatste de FBI Abu Mansoor op de lijst van meest gezochte terroristen, naast onder meer Al-Qaeda-leider Ayman al-Zawahiri.

Abu Mansoor is hierdoor de bekendste nog levende Amerikaanse jihadstrijder geworden. Dat maakt hem mogelijk een doelwit van Amerikaanse aanvallen met onbemande vliegtuigen. Vorig jaar nog maakten Amerikaanse raketten een einde aan het leven van de Amerikaanse Al-Qaeda-ideoloog Anwar Awlaki in Jemen. Er ontstond een heftig debat: mag president Obama zomaar de dood van Amerikaanse burgers goedkeuren zonder proces vooraf?

Dit debat is nu opnieuw actueel geworden, want maar weinig experts twijfelen eraan dat Obama een aanval op Abu Mansoor zou goedkeuren. Volgens de FBI is hij niet alleen een belangrijke militieleider, maar heeft hij als propagandaleider strijders geworven, onder wie tientallen in Amerika geboren Somaliërs.

De vader van Abu Mansoor, Shafik Hammami, is een rustige man, die niets begrijpt van de radicalisering van zijn zoon. De Syriër van geboorte belandde in de jaren zeventig in de VS, en koos er bewust voor in het prettig saaie stadje Daphne te gaan wonen. Shafik, een moslim, trouwde een lokale vrouw die hun twee kinderen christelijk opvoedde.

Omar Hammami had een onopvallende kindertijd. Hij ging in vakanties met zijn opa op herten jagen en omschrijft zichzelf in zijn autobiografie (die hij in mei op internet verspreidde) als „temperamentvol”. Hij had het vaak aan de stok met leraren, maar was populair onder klasgenoten.

Op de middelbare school kreeg Omar Hammami voor het eerst interesse in de islam. Hij ging met zijn vader mee naar de moskee en moest van hem boeken lezen over zijn geloof. Op een dag, schrijft Omar, besloot hij voor het slapengaan niet langer tot Jezus te bidden, maar tot Allah. Op bezoek bij zijn familie in Syrië besloot hij: zo wil ik ook leven. Hij begon in twee werelden te leven. Zijn geloof, en „de drugs, de meisjes, de vrienden en de televisie”.

Hoewel hij toestemming kreeg om er te bidden, voelde Omar Hammami zich steeds minder thuis op school. Hij probeerde medeleerlingen te bekeren tot de islam. Op 11 september 2001 voelde hij zich verscheurd, schrijft hij, tussen afkeer van zowel terrorisme als Amerika, „de ongelovigen en hun onderdrukking van moslims”. In zijn tweede jaar aan de Universiteit van Alabama stopte hij met studeren. Hij viel de gematigde overtuiging van zijn vader aan en weigerde als medewerker van supermarktketen Walmart om alcohol aan te raken. In 2002, toen hij weigerde te poseren voor een familiefoto, zette Shafik Hammami zijn zoon het huis uit.

Hammami reisde naar Toronto. Hij begon te geloven in de gewapende strijd. Hij trouwde een Somalische vrouw en besloot te gaan wonen in een islamitisch land. Het werd Egypte. Maar Hammami vond het te seculier. Samen met een Amerikaanse vriend reisde hij naar Somalië. Hij voelde zich aangetrokken door de strijd van Al-Shabaab, die op dat moment het grootste deel van Somalië onder controle had.

Hammami ontpopte zich tot een belangrijke propagandaleider van de beweging. Hij plaatste onder meer videoclips op YouTube waarin hij rapt over de jihad. „Bom na bom, ontploffing na ontploffing, brengen we het glorieuze verleden terug”, is een tekst uit 2009. Smeekbedes van zijn ouders om terug te komen naar Amerika, wees hij af.

Onduidelijk is of Hammami nog altijd een leidinggevende rol heeft bij Al-Shabaab. Hij plaatste een paar maanden geleden een filmpje op YouTube waarin hij zegt dat zijn leven in gevaar is. De beweging heeft veel terrein verloren en is de controle over de belangrijke steden in Somalië kwijtgeraakt.

Abu Mansoor heeft nog altijd heimwee naar Alabama, schrijft hij in zijn autobiografie. „Helaas ben ik altijd dezelfde jongen gebleven. Een wandelende tegenstelling, samengesteld uit totaal verschillende werelden, die echt gepassioneerd is over de dingen waarin hij gelooft en [..] intussen om alles moet lachen.”

    • Guus Valk